Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14597

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29085
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel bewaring en zicht op uitzetting Tanzania ongegrond verklaard

Eiser, met de Tanzaniaanse nationaliteit, is op 24 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank had de maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde toen dat deze rechtmatig was tot 21 april 2026. De huidige beoordeling richt zich op het voortduren van de bewaring na die datum. Eiser stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend handelde en dat er geen zicht was op uitzetting, mede omdat de Tanzaniaanse autoriteiten niet reageerden op de laissez-passer-aanvraag.

De rechtbank concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat het zicht op uitzetting is verdwenen. Verweerder heeft meerdere malen rappels gestuurd en een landenadviseur betrokken die de zaak bij de Tanzaniaanse immigratiedienst onder de aandacht brengt. Eiser heeft onvoldoende meegewerkt aan het aantonen van zijn nationaliteit en frustreert het onderzoek door tegenstrijdige verklaringen. De rechtbank acht het voortduren van de maatregel rechtmatig en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.29085

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek gesloten op 1 juni 2026.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2003 en de Tanzaniaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 21 april 2026.
4. Eiser stelt, in het inleidende beroepschrift, dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt en dat er geen zicht op uitzetting is. De autoriteiten van Tanzania geven kennelijk geen reactie op de lp [3] -aanvraag.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Tanzania in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. De omstandigheid dat de Tanzaniaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, ondanks de presentatie en het versturen van rappels, is daarvoor onvoldoende. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat op 11 mei 2026 met de landenadviseur is afgestemd dat hij de zaak van eiser meeneemt naar Tanzania om deze tijdens een meeting met de immigratiedienst nogmaals verder de aandacht te brengen. Verweerder moet enige tijd gegund worden om dit te kunnen afwachten. Daarbij geldt dat de Tanzaniaanse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat zij in het geval van eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken dat eiser enige poging heeft ondernomen om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting. Uit de voortgangsrapportage blijkt zelfs dat eiser het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit frustreert door tegenstrijdige verklaringen af te leggen. Verder heeft verweerder in de te beoordelen periode twee keer schriftelijk gerappelleerd over de lp-aanvraag en een vertrekgesprek met eiser gevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.