Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:9644

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 april 2026
Publicatiedatum
22 april 2026
Zaaknummer
NL26.21854
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling ongegrond verklaard

Eiser, een Tanzaniaanse vreemdeling geboren in 2003, heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van een maatregel van bewaring die op 24 december 2025 door de minister van Asiel en Migratie is opgelegd. De rechtbank had deze maatregel eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot 16 maart 2026. Het huidige beroep richt zich op het voortduren van de maatregel na die datum.

Eiser betoogt dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat de Tanzaniaanse autoriteiten niet hebben gereageerd op de laissez-passer-aanvraag ondanks persoonlijke presentatie en schriftelijke rappels. De rechtbank oordeelt echter dat er voldoende aanwijzingen zijn dat het zicht op uitzetting niet is komen te ontbreken. De voortgangsrapportage toont aan dat er recent contact is geweest met de migratiedienst van Tanzania en dat relevante documenten zijn overhandigd.

Daarnaast is niet gebleken dat eiser actief heeft meegewerkt aan het aantonen van zijn nationaliteit, wat zijn eigen verantwoordelijkheid is. De ambtshalve toetsing bevestigt dat het voortduren van de maatregel tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig is. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.21854

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.W. Koevoets),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 24 december 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 21 april 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2003 en de Tanzaniaanse nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 17 maart 2026 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom ziet de beoordeling nu op het voortduren van de maatregel van bewaring sinds 16 maart 2026.
4. Eiser stelt dat er geen zicht op uitzetting is binnen een redelijke termijn. Hiertoe voert hij aan dat hij in januari in persoon gepresenteerd is bij de Tanzaniaanse autoriteiten, maar dat zij nog steeds niet hebben gereageerd op de lp [3] -aanvraag. Ook het schriftelijke rappelleren op 3 april 2026 heeft niet tot enige opvolging geleid.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Tanzania in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. De omstandigheid dat de Tanzaniaanse autoriteiten nog niet hebben gereageerd op de lp-aanvraag, ondanks de presentatie en het versturen van rappels, is daarvoor onvoldoende. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er op 2 april 2026 tijdens een bijeenkomst op de ambassade is gesproken met de contactpersoon binnen de migratiedienst van Tanzania. Op 3 april 2026 heeft de landenadviseur de mail rondom het identiteitsonderzoek, de foto’s, fingerslips en het adres uitgeprint en meegegeven aan de contactpersoon. Verweerder moet enige tijd gegund worden om dit te kunnen afwachten. Daarbij geldt dat de Tanzaniaanse autoriteiten niet te kennen hebben gegeven dat zij in het geval van eiser geen lp zullen afgeven. Ook is niet gebleken dat eiser enige poging heeft ondernomen om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 22 april 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.