Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14557

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28661
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 5.1b derde lid VbArt. 5.1b vierde lid Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel van bewaring op grond van vreemdelingenwet ongegrond verklaard

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling geboren in 2004, is door de minister van Asiel en Migratie onderworpen aan een maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op zware gronden zoals het niet beschikken over een geldig reisdocument bij binnenkomst, het onttrekken aan toezicht en het niet naleven van een terugkeerbesluit.

Eiser betwist de gronden, maar erkent het ontbreken van een grensoverschrijdingsdocument en stelt dat hij naar Nederland is gekomen om asiel te vragen. De rechtbank oordeelt dat de zware gronden feitelijk juist zijn en dat verweerder terecht een risico heeft aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.

Eiser voert aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Marokko, maar de rechtbank stelt dat er in het algemeen wel zicht op uitzetting bestaat en dat eiser geen concrete persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die dit weerleggen.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Tevens wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen en worden geen proceskosten toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28661

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser heeft zich akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep. Hij heeft op 28 mei 2026 gronden van beroep ingediend. Verweerder heeft op 29 mei 2026 een reactie op de beroepsgronden ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 1 juni 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;- 3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;- 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Wat betreft zware grond 3a erkent eiser dat hij niet over een grensoverschrijdingsdocument beschikt, maar dat hij naar Nederland is gekomen om asiel te vragen. Ten aanzien van zowel zware grond 3b als zware grond 3c stelt eiser dat hem niet duidelijk was dat hij Nederland diende te verlaten.
4. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de zware grond 3a terecht aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft gelegd. Verweerder mag bij het tegenwerpen
van onder meer de zware gronden 3a, 3b en 3c volstaan met een toelichting waaruit blijkt dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Eiser was bij zijn eerste binnenkomst in Nederland niet in het bezit van een reis- of identiteitsdocument, noch van een geldig visum of andere toestemming om Nederland binnen te reizen. Zware grond 3a is dan ook feitelijk juist. De door eiser gestelde reden van zijn reis naar Nederland doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. De zware grond 3b acht de rechtbank eveneens feitelijk juist. Middels de meeromvattende beschikking van 24 maart 2026, welke op de juiste wijze bekend gemaakt is, is tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Hij dient onmiddellijk terug te keren naar Marokko. Eiser heeft Nederland niet verlaten en zijn illegale verblijf ook niet gemeld bij de autoriteiten. Eiser heeft zich dan ook onttrokken aan het toezicht en de zware grond 3b is daarmee feitelijk juist. Gelet op het feit dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de beschikking van 24 maart 2026 is de zware grond 3c ook feitelijk juist. Deze hiervoor genoemde zware gronden zijn voldoende om de maatregel van bewaring te dragen. Verweerder heeft op grond hiervan terecht een risico aangenomen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Wat eiser voor het overige heeft aangevoerd over de zware en lichte gronden behoeft geen nadere bespreking, omdat dit niet kan leiden tot de conclusie dat de bewaring onrechtmatig is.
Zicht op uitzetting
5. Eiser stelt dat er geen enkel zicht op uitzetting naar Marokko is voor hem.
6. In het algemeen bestaat er zicht op uitzetting naar Marokko. [4] Er zijn door eiser geen concrete aanknopingspunten aangereikt die maken dat dit voor hem persoonlijk niet het geval is.
Ambtshalve toets
7. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.