ECLI:NL:RBDHA:2026:14488

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
1 juni 2026
Zaaknummer
C/09/684581 / HA ZA 25-377
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:310 lid 1 BWArt. 3:318 BWArt. 3:319 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 22 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering schadevergoeding wegens verjaring door onvoldoende stuiting

Zorg en Zekerheid vordert schadevergoeding van de gedaagde, maar de rechtbank oordeelt dat de vordering is verjaard. De verjaringstermijn begon op zijn vroegst op 2 februari 2017 te lopen. Zorg en Zekerheid stelde dat de verjaring was gestuit door betaling van onderzoekskosten en door aangetekende stuitingsbrieven, maar dit werd verworpen.

De rechtbank stelt dat de betaling aan SODA geen erkenning van schuld aan Zorg en Zekerheid inhoudt en dat de ontvangst van de stuitingsbrieven door de gedaagde niet is bewezen. De brieven waren aangetekend verzonden, maar zonder bewijs van ontvangst is stuiting niet effectief. De verjaringstermijn is daardoor ononderbroken door blijven lopen.

Zorg en Zekerheid kon geen bewijs overleggen van tijdige ontvangst van de brieven, wat voor haar risico is. De vordering wordt daarom afgewezen. De eiser wordt veroordeeld in de proceskosten, maar een volledige vergoeding wordt geweigerd omdat geen sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen.

Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wordt afgewezen wegens verjaring door onvoldoende bewijs van tijdige stuiting.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
zaak- / rolnummer: C/09/684581/ HA- ZA 25-377
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
STICHTING WLZ-UITVOERDER ZORG EN ZEKERHEIDte Leiden,
eiseres,
hierna te noemen: Zorg en Zekerheid,
advocaat: mr. M.M. Sajjad te Den Haag,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. R.J. Ouderdorp te Haarlem.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 14 januari 2026 (hierna: ‘het tussenvonnis’),
- de akte na tussenvonnis van Zorg en Zekerheid van 4 februari 2026,
- de antwoordakte van [gedaagde] van 11 maart 2026, met productie 7;
- de akte van Zorg en Zekerheid van 15 april 2026.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
De rechtbank is het tussenvonnis ingegaan op de vraag of de vorderingen van Zorg en Zekerheid zijn verjaard. Daarbij is als uitgangspunt genomen dat de verjaringstermijn op zijn vroegst pas op 2 februari 2017 is gaan lopen (tussenvonnis, r.o. 4.3). De vraag is of de verjaring tijdig door Zorg en Zekerheid is gestuit. Zorg en Zekerheid had in dat kader onder meer betoogd dat de verjaring op 3 januari 2020 is gestuit, doordat [gedaagde] toen € 624,94 aan SODA heeft betaald ter voldoening van onderzoekskosten, hetgeen volgens Zorg en Zekerheid als een daad van erkenning in de zin van artikel 3:318 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) moest worden aangemerkt. Dat betoog heeft de rechtbank in het tussenvonnis verworpen (tussenvonnis, r.o. 4.6 – 4.8). Daarmee resteert het beroep van Zorg en Zekerheid op stuiting door middel van schriftelijke stuitingsbrieven van 8 maart 2019, 13 februari 2020 en 6 maart 2024, waarvan [gedaagde] de (tijdige) ontvangst heeft betwist. Zorg en Zekerheid heeft gesteld dat de brieven aangetekend zijn verzonden en [gedaagde] ook hebben bereikt. De rechtbank heeft Zorg en Zekerheid op grond van artikel 22 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) opgedragen om de aanbiedings- en bezorgingsbewijzen die behoren bij de aangetekend verstuurde brieven van 8 maart 2019, 13 februari 2020 en 6 maart 2024 in het geding te brengen.
2.2.
Zorg en Zekerheid heeft geen nadere stukken of gegevens kunnen overleggen. Zorg en Zekerheid heeft in haar akte van 4 februari 2026 verklaard dat zij, vanwege het verloop van de tijd, niet langer over de aanbiedings- en bezorgingsbewijzen beschikt. De rechtbank komt tot het oordeel dat Zorg en Zekerheid aldus niet erin is geslaagd om aan te tonen dat de verjaring tijdig is gestuit. Daartoe wordt het volgende overwogen.
2.3.
Om werking te kunnen hebben moeten de stuitingsbrieven [gedaagde] hebben bereikt.
De bewijslast (en dus ook het bewijsrisico) dat de brieven [gedaagde] hebben bereikt ligt bij de partij die zich op de werking van de brieven beroept, in dit geval dus Zorg en Zekerheid. In het tussenvonnis is overwogen dat, om te kunnen concluderen dat de brieven [gedaagde] hebben bereikt, niet voldoende is dat vast komt te staan dat de brieven aangetekend en naar het juiste adres zijn verzonden. Indien de geadresseerde betwist dat een aangetekend verzonden brief hem of haar (tijdig) heeft bereikt, moet de verzender volgens vaste rechtspraak ook aannemelijk maken dat de brief (tijdig) aan de geadresseerde is
aangebodenop de wijze die daartoe ter plaatse van bestemming is voorgeschreven. [1] De feiten en omstandigheden die Zorg en Zekerheid heeft gesteld, zijn hiertoe, ook allemaal samen genomen, niet toereikend. De rechtbank licht dat hierna toe.
2.4.
Zorg en Zekerheid heeft erop gewezen dat de stuitingsbrieven aangetekend zijn verzonden naar het juiste adres van [gedaagde] én dat Zorg en Zekerheid na verzending van ieder van deze aangetekende stuitingsbrieven geen onbestelbaar retourbericht heeft ontvangen. Uit vaste rechtspraak volgt echter dat de combinatie van die twee factoren onvoldoende bewijs vormt dat de brief ook is aangeboden. [2] Evenmin is voldoende dat de stuitingsbrieven zijn verzonden naar het woonadres van [gedaagde] van en waarnaar partijen jarenlang over en weer correspondeerden. Dat andere brieven door [gedaagde] zijn ontvangen, rechtvaardigt immers nog niet de conclusie dat ook
dezestuitingsbrieven bij [gedaagde] zijn aangekomen.
2.5.
Zorg en Zekerheid heeft ook gewezen op de voldoening van de onderzoekskosten aan SODA, op 3 januari 2020. Die betaling is gedaan nadat Zorg en Zekerheid op 8 maart 2019 drie aangetekende stuitingsbrieven heeft verzonden, niet alleen aan [gedaagde] , maar ook aan haar holdingmaatschappij [bedrijfsnaam] en aan de toenmalige advocaat van [gedaagde] , mr. Jansen, aldus Zorg en Zekerheid. Zorg en Zekerheid stelt dat [gedaagde] de onderzoekskosten kennelijk mede naar aanleiding van de ontvangst van die drie stuitingsbrieven heeft voldaan. Dat verband kan niet worden gelegd. De stuitingsbrieven zijn tien maanden eerder verzonden. De betaling betrof bovendien een betaling van € 624,94 aan SODA, niet aan Zorg en Zekerheid. De rechtbank leest in de stuitingsbrief van 8 maart 2019 verder niets over een factuur van of een betaling aan SODA. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt dus niet in te zien hoe uit de (veel latere) betaling van € 624,94 kan worden afgeleid dat [gedaagde] de eerder stuitingsbrieven van 8 maart 2019 heeft ontvangen.
2.6.
Bovendien geldt dat ook als (veronderstellendenwijs) met Zorg en Zekerheid wordt aangenomen dat [gedaagde] (een van) de stuitingsbrieven van 8 maart 2019 wél heeft ontvangen (bijvoorbeeld via haar advocaat), het namens [gedaagde] gedane beroep op verjaring nog steeds slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend.
2.7.
Niet duidelijk is of en wanneer de stuitingsbrieven van 8 maart 2019 bij [gedaagde] zijn aangekomen; informatie over de aanbieding en bezorging ontbreekt immers. De rechtbank neemt – gelet op de postbezorgingstermijnen die in verstekzaken tot uitgangspunt worden genomen [3] – veronderstellendenwijs aan dat de brieven ergens tussen één en twee dagen na de verzending (zondagen en maandagen niet meegeteld) zijn bezorgd, dus tussen (zaterdag) 9 maart en (dinsdag) 12 maart 2019. Op het moment van ontvangst van de stuitingsbrief is de verjaring gestuit. Door de stuiting is een nieuw verjaringstermijn van vijf jaren gaan lopen, beginnende op de dag volgend op de dag waarop de stuiting plaatsvond (artikel 3:319 lid 1 BW Pro). Anders dan Zorg en Zekerheid betoogt, is die nieuwe verjaringstermijn vervolgens niet binnen een jaar opnieuw gestuit door de stuitingsbrief van 13 februari 2020. Immers, [gedaagde] heeft de ontvangst van die brief betwist en Zorg en Zekerheid heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan volgen dat dat die brief op het adres van [gedaagde] is aangeboden. De verjaringstermijn is dus blijven doorlopen. Uitgaande van de hiervoor gedane aanname, zou die verjaringstermijn tussen 10 en 13 maart 2024 verstrijken.
2.8.
Zorg en Zekerheid heeft op 6 maart 2024 een nieuwe stuitingsbrief verzonden. [gedaagde] betwist niet dat zij die stuitingsbrief heeft ontvangen, maar dat is volgens haar vlak vóór 25 maart 2024 geweest. Volgens vaste rechtspraak is het bij betwisting aan Zorg en Zekerheid om de tijdige ontvangst van de stuitingsbrief te bewijzen. Meer concreet houdt dat in dat Zorg en Zekerheid feiten en omstandigheden moet stellen en zo nodig bewijzen waaruit volgt op welke dag [gedaagde] de stuitingsbrief van 6 maart 2024 (op zijn laatst) heeft ontvangen. [4] Aan die stelplicht heeft Zorg en Zekerheid niet voldaan. Zorg en Zekerheid heeft geen bewijsstukken of andere informatie (bijvoorbeeld
track and traceinformatie) kunnen overhandigen, waaruit blijkt dat de stuitingsbrief niet alleen op tijd is verzonden, maar óók voor het verstrijken van de verjaringstemijn bij [gedaagde] is aangekomen. Dat Zorg en Zekerheid niet (langer) over bewijsstukken van de tijdige bezorging beschikt, komt voor haar (bewijs)risico. [5]
2.9.
Uit het voorgaande volgt dat ook als veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat Zorg en Zekerheid de verjaring met de brief van 8 maart 2019 aanvankelijk nog wel tijdig heeft gestuit, ditzelfde niet geldt voor de nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren die daarna is gestart. Het door [gedaagde] gedane beroep op verjaring slaagt dus. De vordering van Zorg en Zekerheid wordt afgewezen.
2.10.
Zorg en Zekerheid heeft bewijs aangeboden van de stelling dat de brieven van 8 maart 2019 en 13 februari 2020 aangetekend ter verzending aan PostNL zijn aangeboden en dat geen onbestelbaar retourbericht is ontvangen. Gelet op hetgeen hiervoor in 2.4 is overwogen, gaat de rechtbank voorbij aan dit bewijsaanbod. De feiten waarvan bewijs word aangeboden kunnen immers niet leiden tot het bewijs dat de brieven bij [gedaagde] zijn aangekomen.
2.11.
Nu Zorg en Zekerheid in het ongelijk is gesteld, wordt zij in de proceskosten veroordeeld. [gedaagde] heeft vergoeding van haar werkelijke proceskosten gevorderd. Alleen in buitengewone omstandigheden kan een partij, in afwijking van de proceskostenregeling van de artikelen 237-240 Rv, worden veroordeeld om de volledige proceskosten van de wederpartij te vergoeden. Daarbij moet worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. [6] Een dergelijke situatie is in deze zaak niet aan de orde. Anders dan [gedaagde] stelt, is niet gebleken dat Zorg en Zekerheid stukken heeft achtergehouden of opzettelijk onware stellingen heeft geponeerd. Voor een werkelijke proceskostenveroordeling is geen plaats. De proceskosten worden begroot conform het gebruikelijke liquidatietarief, waarmee de aan [gedaagde] te betalen proceskosten uitkomen op € 5.406,50 (€ 90,- aan griffierecht, € 5.127,50 (2,5 punten x tarief V € 2.051,-) aan salaris advocaat en € 189,- aan nakosten), plus de kosten bij betekening. De wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt Zorg en Zekerheid in de proceskosten van [gedaagde] , tot op heden begroot op € 5.406,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Zorg en Zekerheid niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Zorg en Zekerheid € 98,- extra betalen, plus de kosten van betekening;
3.3.
veroordeelt Zorg en Zekerheid in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de hierboven genoemde proceskosten, als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
3.4.
verklaart de kostenveroordeling onder 3.2 en 3.3 uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Boogers, rechter, bijgestaan door mr. A. Vogelaar, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2026.

Voetnoten

1.Zie o.a. Hoge Raad 8 september 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC:1797 (Tilburg/Schouten)
2.Zie Hoge Raad 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5122 (Visser/IDM)
3.Zie Hoge Raad 25 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2704, r.o. 3.5.3
4.Zie eveneens ECLI:NL:HR:2016:2704, r.o. 3.5.2
5.Zie ook HR 4 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2694, r.o. 3.6
6.Zie o.a. Hoge Raad 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360