ECLI:NL:RBDHA:2026:14478
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening Frankrijk
Eiser, afkomstig uit Pakistan, heeft meerdere asielaanvragen ingediend in verschillende EU-lidstaten, waaronder Oostenrijk, Frankrijk en Nederland. De Nederlandse minister van Asiel en Migratie nam zijn aanvraag van maart 2025 niet in behandeling omdat Frankrijk verantwoordelijk was voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Eiser ging hiertegen in beroep, dat eerder deels gegrond werd verklaard wegens onzorgvuldigheid, maar de rechtsgevolgen bleven in stand. Na terugkeer uit Frankrijk diende eiser opnieuw een aanvraag in Nederland in.
De rechtbank oordeelt dat Nederland terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk, dat inhoudt dat lidstaten mogen vertrouwen op correcte behandeling van asielaanvragen door andere lidstaten. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Frankrijk structureel tekortschiet in de asielprocedure of dat hij een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij overdracht.
Verder stelt de rechtbank dat de minister terecht geen discretionaire bevoegdheid heeft uitgeoefend om de aanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro, ondanks het huwelijk van eiser met een vrouw die in Nederland asiel heeft aangevraagd. De Dublinprocedure is niet bedoeld voor gezinshereniging en de omstandigheden van eiser rechtvaardigen geen uitzondering.
Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.