ECLI:NL:RBDHA:2026:14467
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening maatschappelijke opvang wegens zelfredzaamheid
Verzoekster, een vrouw met drie minderjarige kinderen, heeft zich gemeld voor maatschappelijke opvang nadat zij haar woning in het buitenland had verlaten en tijdelijk geen onderdak had. Verweerder had haar aanvankelijk opvang toegekend uit coulance en in het belang van de kinderen, maar verlengde deze opvang slechts tijdelijk tot 26 mei 2026. Verzoekster maakte bezwaar tegen deze besluiten en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoekster geen griffierecht hoefde te betalen vanwege betalingsonmacht en dat het verzoek om een briefadres niet ontvankelijk was wegens gebrek aan connexiteit. De kernvraag was of verzoekster niet in staat was zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving, zoals vereist voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015.
Uit het onderzoek en advies van verweerder bleek dat verzoekster zelfstandig was in persoonlijke verzorging en huishoudelijke taken, geen medische of geestelijke klachten had, en zelfredzaam was ondanks het ontbreken van een vaste woonplek. Ook waren er geen medische problemen bij de kinderen die opvang noodzakelijk maakten. De voorzieningenrechter concludeerde dat verzoekster niet tot de doelgroep van maatschappelijke opvang behoorde en dat de belangen van de kinderen en publieke belangen zorgvuldig waren afgewogen.
Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is gedaan door voorzieningenrechter L.C. Bannink op 26 mei 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat verzoekster als zelfredzaam wordt beschouwd en niet in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang.