ECLI:NL:RBDHA:2026:1445
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen door de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 30 mei 2025 waarin de minister werd opgedragen binnen acht weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn niet heeft nageleefd en geen besluit heeft genomen, is het beroep ontvankelijk en gegrond verklaard. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van twee weken op aan de minister.
Daarnaast wordt een dwangsom van € 250,- per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de nieuwe termijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. De minister wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, en het griffierecht van € 194,-.
De rechtbank ziet af van een zitting en baseert zich op de stukken. De uitspraak is openbaar en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een termijn en dwangsom op om alsnog binnen twee weken te beslissen.