ECLI:NL:RBDHA:2026:14394

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
31 mei 2026
Zaaknummer
C/09/681814
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • G. van Zeben-de Vries
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:402 BWArt. 1:402a BWProtocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling en herberekening kinderalimentatie met draagkrachtverdeling en zorgkorting

Partijen, ouders van een minderjarige, hadden een ouderschapsplan waarin een kinderalimentatie van €240 per maand was afgesproken. De rechtbank oordeelt dat deze afspraak niet voldoet aan de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht en daarom nietig is.

De rechtbank berekent de behoefte van het kind op €1.092 per maand en de draagkracht van de man op €1.082 per maand, waarbij rekening is gehouden met zijn inkomen, pensioenpremies en zorgkorting. De draagkracht van de vrouw is vastgesteld op €25 per maand. Vanwege samenloop van onderhoudsverplichtingen wordt de draagkracht van de man verdeeld over vier kinderen, waardoor zijn aandeel voor dit kind €270 per maand bedraagt.

De rechtbank wijst de zorgkorting van 15% toe, maar stelt vast dat de draagkrachttekort groter is dan de zorgkorting, waardoor de man zijn volledige draagkracht moet inzetten. De rechtbank bepaalt dat de man vanaf 1 mei 2026 €270 per maand aan kinderalimentatie moet betalen, verklaart de beschikking uitvoerbaar bij voorraad en compenseert de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank stelt de kinderalimentatie vast op €270 per maand vanaf 1 mei 2026 en verklaart de eerdere afspraak nietig.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1882
Zaaknummer: C/09/681814
Datum beschikking: 30 april 2026

Alimentatie

Beschikking op het op 3 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

De vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.G. Weitkamp te [geboorteplaats 1] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.W. van den Hoek te Leiden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift, van de vrouw;
  • het verweerschrift van 13 mei 2025, van de man;
- het F9-formulier met bijlagen, van op 27 maart 2026, van de man;
- het F9-formulier met bijlagen, van 2 april 2026, van de vrouw;
- het F9-formulier met bijlage, van 6 april 2026, van de vrouw;
- het F9-formulier met bijlage, van 8 april 2026, van de man.

Feiten

  • Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
  • Zij zijn de ouders van de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] ;
  • De man is ook de vader van de minderjarigen:
­ [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2011 te [geboorteplaats 1] ;
­ [de minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2019 te [geboorteplaats 2] ;
­ [de minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2020 te [geboorteplaats 2] .
  • De man is ook de vader van de jongmeerderjarige [de jong-meerderjarige] , geboren op [geboortedatum 5] 2006.
  • De man is ook de vader van de meerderjarige [de meerderjarige] , geboren op 6 april 2005.
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uit.
  • [de minderjarige 1] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
  • De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Poolse nationaliteit.
  • Partijen zijn in juli 2019 in een ouderschapsplan overeengekomen dat de man vanaf de datum van ondertekening van het ouderschapsplan voor [de minderjarige 1] een kinderalimentatie van € 240,- per maand aan de vrouw zal voldoen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw luidt nu:
  • vast te stellen dat de man op grond van het ouderschapsplan gehouden is een kinderalimentatie van € 240,- per maand aan de vrouw te voldoen, met ingang van 29 juli 2019, waarop de wettelijke indexering van toepassing is per 1 januari 2020;
  • de man te veroordelen om binnen veertien dagen na de datum van de beschikking aan de vrouw te voldoen de achterstand van de overeengekomen kinderalimentatie en niet betaalde indexeringen tot en met maart 2025 van € 3.402,57, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de datum van de indiening van het verzoekschrift;
  • te bepalen dat de man gehouden is om met ingang van 1 april 2025 aan de vrouw bij vooruitbetaling te voldoen een kinderalimentatie van € 301,95 per maand en met ingang van 1 januari 2026 een kinderalimentatie van € 315,84 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken en hij verzoekt de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder der partijen zijn of haar eigen kosten draagt.

Beoordeling

Rechtsmacht en toepasselijk rechtNu de gewone verblijfplaats van [de minderjarige 1] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om te beslissen op het verzoek. Op het alimentatieverzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Kinderalimentatie
OntvankelijkheidDe man en de vrouw zijn het erover eens dat zij per 29 juli 2019 een afspraak hebben gemaakt over de kinderalimentatie die de man aan de vrouw moet betalen van € 240,- per maand. De vrouw verzoekt bovenvermelde afspraken in het ouderschapsplan, waarbij het alimentatiebedrag wegens indexering inmiddels € 315,84 bedraagt, vast te leggen in de beschikking, zodat er een executoriale titel aanwezig is, alsmede de man te veroordelen om de ontstane achterstand aan de vrouw te voldoen.
De rechtbank overweegt dat contractsvrijheid van partijen bij het maken van afspraken over kinderalimentatie wordt begrensd door de dwingendrechtelijke regel dat de kinderalimentatie ten minste moet voldoen aan de wettelijke maatstaven (van behoefte en draagkracht) (Hoge Raad 19 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:422). Dat betekent dat niet van de wettelijke maatstaven afgeweken mag worden ten nadele van minderjarige kinderen, ongeacht of dat nu bewust of onbewust gebeurt. Ten gunste van minderjarige kinderen mag wel worden afgeweken van de wettelijke maatstaven. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat kinderalimentatie van openbare orde is en dat ten aanzien van een afspraak die niet voldoet aan de wettelijke maatstaven, te weten behoefte en draagkracht, of die anderszins niet in het belang van het kind is, de rechter kan vaststellen dat de tussen partijen gemaakte afspraak nietig is. De rechtbank dient de zaak dan te beoordelen als een eerste vaststelling van de kinderalimentatie.
De rechtbank is van oordeel dat partijen zich bij het opstellen van het ouderschapsplan niet hebben gericht op de wettelijke maatstaven. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het ouderschapsplan niet blijkt dat er een behoefte- en draagkrachtberekening is gemaakt. In artikel 3.1 van het ouderschapsplan is samengevat slechts opgenomen dat partijen overeenkomen dat de man een bedrag van € 240,- aan kinderalimentatie aan de vrouw zal betalen, zoals hij ook voor zijn zoon [de minderjarige 2] doet.
Gelet op het voormelde ligt de vraag voor of partijen bij het maken van hun afspraak ten nadele of ten gunste van [de minderjarige 1] zijn afgeweken. De rechtbank onderscheidt hier de volgende situaties:
­ als de draagkracht van de man lager was dan de ten laste van de man vastgestelde bijdrage, dan zijn partijen bij die afspraak ten gunste van [de minderjarige 1] afgeweken. Een latere wijziging waardoor de draagkracht van de man nog lager wordt, is dan onderworpen aan de strenge wijzigingsmaatstaf;
­ als de draagkracht van de man hoger was en daarom een hogere bijdrage dan de ten laste van de man vastgestelde bijdrage zou moeten gelden, dan zijn partijen bij die afspraak ten nadele van [de minderjarige 1] afgeweken. Deze afspraak is onderworpen aan de ambtshalve toets van de rechter zoals hiervoor omschreven.
De rechtbank zal aan de hand van de financiële gegevens van partijen van 2019 beoordelen of partijen ten gunste of ten nadele van [de minderjarige 1] zijn afgeweken. De rechtbank dient hierbij de behoefte van [de minderjarige 1] berekenen, alsmede de draagkracht van partijen. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen.
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] € 830,- bedroeg in 2019.
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de vrouw uit van een bruto uitkering van € 15.529,- per jaar, zoals blijkt uit productie 10 van de vrouw. Rekening houdend met de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op
€ 1.385,- per maand en haar draagkracht op € 63,-.
Bij de berekening van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een gemiddelde winst uit onderneming van € 112.988,-, zoals volgt uit de aangifte IB 2019. Rekening houdend met de zelfstandigenaftrek, de MKB winstvrijstelling en de algemene heffingskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 6.034,-. De rechtbank houdt verder rekening met een kinderalimentatie van € 240,- per maand voor zijn zoon [de minderjarige 2] . De rechtbank berekent de draagkracht van de man dan op € 2.052,- per maand. Verder dient de rechtbank aan de zijde van de man rekening te houden met een zorgkorting. Voor het berekenen van de zorgkorting dient aansluiting te worden gezocht bij de zorgregeling in 2019. In artikel 1.4 en 1.5 van het ouderschapsplan zijn partijen een zorgregeling overeengekomen, in die zin dat [de minderjarige 1] om de week van vrijdag uit school tot zondag 17.00 uur bij de man verblijft. Verder zijn partijen overeengekomen dat de feest- en vakantiedagen tussen partijen worden verdeeld. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met een zorgkorting van 25%. De rechtbank berekent het eigen aandeel van de man dan op afgerond € 805,- per maand, minus een zorgkorting van € 208,- (0,25 x 830). Het uiteindelijke aandeel berekent de rechtbank op € 597,- per maand.
Aangezien partijen in het ouderschapsplan een kinderalimentatie van € 240,- per maand overeen zijn gekomen, concludeert de rechtbank dat ten nadele van [de minderjarige 1] is afgeweken. De rechtbank merkt ten overvloede op dat, ook in het geval partijen in de praktijk zijn afgeweken van de zorgregeling uit het ouderschapsplan en de man daardoor meer zorg had (met een zorgkorting van 35%), zijn eigen aandeel nog steeds hoger is dan de afgesproken kinderalimentatie.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de tussen partijen gemaakte afspraak nietig is. De rechtbank zal zodoende een (her)berekening kinderalimentatie maken.

Kinderalimentatie

Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie zoals opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (het Rapport) als uitgangspunt.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen.
Artikel 1:402 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) laat de rechter een grote mate van vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum van een alimentatieverplichting.
Hoewel de vrouw aangeeft dat tot en met 2024 een achterstand in de betalingen is ontstaan van vijf maanden en vanaf januari 2025 geen kinderalimentatie meer is betaald door de man, moet de rechtbank behoedzaam gebruik maken van de bevoegdheid om de alimentatie over een periode in het verleden en dus met terugwerkende kracht vast te stellen, vanwege de veelal ingrijpende gevolgen voor de onderhoudsplichtige. Hoewel de rechtbank, zoals zij hierna zal motiveren bij het vaststellen van de hoogte van het aan kinderalimentatie te betalen bedrag, geen rekening houdt met de schulden van de man realiseert zij zich dat het niet in het belang van [de minderjarige 1] is om de man nu met nieuwe schulden te belasten. De rechtbank ziet daarom aanleiding om aan te sluiten bij de beschikkingsdatum, waarbij de rechtbank uitgaat van 1 mei 2026 als ingangsdatum.
BehoeftePartijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de minderjarige 1] € 830,- bedroeg in 2019. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte afgerond € 1.092,- per maand.
Draagkracht manPartijen zijn het erover eens dat bij de berekening van de draagkracht van de man moet worden uitgegaan van een bruto arbeidsinkomen van € 5.900,- per maand, zoals volgt uit zijn salarisspecificaties van januari en februari 2026, te vermeerderen met een vakantietoeslag van 8%. Verder moet rekening worden gehouden met een ingehouden pensioenpremie van € 382,- per maand en een aanvullende pensioenpremie van € 14,- per maand.
SchuldenTussen partijen is voor de bepaling van de draagkracht van de man in geschil of ook rekening moet worden gehouden met de door de man naar voren gebrachte schulden. De man geeft aan dat hij schulden heeft van tezamen een bedrag van € 327,148,34. In zijn berekening gaat de man uit van een schuldenlast van € 2.726,- per maand. De vrouw betwist het standpunt van de man en stelt dat er geen rekening moet worden gehouden met eventuele schulden, nu de man niet voldoende inzichtelijk heeft gemaakt in hoeverre de door hem naar voren gebrachte schulden daadwerkelijk (nog) bestaan, hoe deze schulden zijn ontstaan, of deze schulden vermijdbaar dan wel verwijtbaar zijn en op welke wijze de man heeft getracht om deze schulden af te lossen.
De rechtbank is allereerst van oordeel dat de man met verificatoire stukken heeft aangetoond dat hij verschillende schulden heeft, te weten bij de Belastingdienst, Asset Managing partners, Florius en Clevergig. De appberichten waaruit persoonlijke leningen zouden blijken vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Hoewel de rechtbank erkent dat de man schulden heeft, ontbreekt een onderbouwing van deze schulden en een verklaring dat deze niet verwijtbaar en/of vermijdbaar waren. Daarnaast is het de rechtbank onvoldoende duidelijk welke ondersteuning, in de vorm van hulpverlening, de man heeft gezocht om tot aflossing van zijn schulden te komen. De rechtbank merkt verder op dat er voor het overgrote deel van de schulden op dit moment (nog) geen afbetalingsverplichting geldt en dat er (nog) geen schuldenregeling is getroffen. Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat in dit geval geen rekening moet worden gehouden met een schuldenlast aan de zijde van de man. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat er op dit moment te weinig zicht is op de overwaarde van de woning van de man bij een eventuele verkoop en wat dit betekent voor een eventuele betalingsregeling.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank volgens de aangehechte berekening het NBI van de man op € 4.158,- per maand en zijn draagkracht op € 1.082,- per maand (tarief 2026-I).
Verdeling van de draagkracht
Er is sprake van samenloop van onderhoudsverplichtingen. Partijen zijn beiden onderhoudsplichtig voor hun kind [de minderjarige 1] . De man is daarnaast onderhoudsplichtig voor de
(jong)meerderjarige [de jong-meerderjarige] en de minderjarige [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] , tezamen met de (ex-)partner(s) van de man. Bij een samenloop moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. Er zijn verschillende methodes ten aanzien van de verdeling van draagkracht bij samengestelde gezinnen. De rechtbank vindt het alles afwegende in dit geval redelijk om de draagkracht van de man gelijk te verdelen over het aantal kinderen, vanwege een gebrek aan volledige financiële gegevens. De rechtbank beschikt immers niet over de inkomensgegevens van de (ex-)partner(s) van de man. Hierdoor kan de rechtbank geen volledige berekening maken. Verder ziet de rechtbank aanleiding om [de jong-meerderjarige] buiten beschouwing te laten, omdat voor jongmeerderjarigen een andere regeling geldt en er geen nadere gegevens over de onderhoudsbehoefte van [de jong-meerderjarige] zijn aangeleverd. Ten aanzien van [de minderjarige 2] leidt het voorgaande ertoe dat de rechtbank niet de door de man aan de moeder van [de minderjarige 2] betaalde kinderalimentatie van € 240,- per maand, dan wel een geïndexeerd bedrag, in mindering zal brengen op zijn draagkracht. De rechtbank zal de draagkracht van de man verdelen over vier kinderen: [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] , [de minderjarige 3] en [de minderjarige 4] . De draagkracht van de man voor [de minderjarige 1] bedraagt dan afgerond € 270,- per maand (1.082 / 4).
Draagkracht vrouwPartijen zijn het erover eens dat de draagkracht van de vrouw € 25,- is in 2026. De rechtbank gaat bij de berekening van haar draagkracht uit van een WIA-uitkering van
€ 1.645 bruto per maand, zoals volgt uit haar uitkeringsspecificaties van januari en februari 2026. Verder houdt de rechtbank rekening met een vakantietoeslag van 8% en de algemene heffingskorting. Het NBI van de vrouw is € 1.901,-.
Bij een NBI tot € 1.950,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een minimale draagkracht van € 25,- per maand voor één kind. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
ZorgkortingTussen partijen is de zorgkorting in geschil. De man stelt zich op het standpunt dat er een zorgkorting van 25% gehanteerd moet worden. De vrouw is van mening dat gerekend moet worden met een zorgkorting van 15%. De rechtbank baseert de zorgkorting op de door de door partijen overeengekomen zorgregeling, waarbij de man [de minderjarige 1] één dag per week bij zich heeft, alsmede vijf vakantieweken. De rechtbank gaat uit van een zorgkorting van 15%, aldus (0,15 x 1.092 =) afgerond € 164,-.
Gezamenlijke draagkracht
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk (270 + 25 =) € 295,- per maand. Dit is onvoldoende om in de behoefte van [de minderjarige 1] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 797,- per maand. Omdat sprake is van een draagkrachttekort dat meer dan twee keer zo groot is als de zorgkorting, kan de man de zorgkorting niet verzilveren en vervalt de zorgkorting. Hij zal zijn volledige draagkracht moeten aanwenden om bij te dragen in de kosten van [de minderjarige 1] .
Conclusie
De rechtbank zal bepalen dat de man met ingang van 1 mei 2026 een kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen van € 270,- per maand.
De rechtbank wijst partijen ten overvloede op artikel 402a, lid 1 en 2, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit volgt dat de bij rechterlijke uitspraak of overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege worden geïndexeerd.
Aanhechten berekeningen
De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan onderdeel uit.
ProceskostenGelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
bepaalt de door de man met ingang van 1 mei 2026 te betalen kinderalimentatie voor de minderjarige [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 te [geboorteplaats 1] , op € 270,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door mr. A. Hoek als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 30 april 2026.