Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14317

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 april 2026
Publicatiedatum
30 mei 2026
Zaaknummer
C/09/682372 / FA RK 25-2204
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 815 RvArt. 194 RvArt. 195 RvArt. 1:100 BWArt. 1:102 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en verdeling huwelijksgemeenschap

Partijen zijn gehuwd sinds 2001 en hebben drie kinderen, waaronder een minderjarige. De rechtbank behandelt het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen, waaronder de hoofdverblijfplaats van de minderjarige, kinderalimentatie, partneralimentatie, huurrecht en de verdeling van de huwelijksgemeenschap.

De rechtbank verklaart het verzoek tot echtscheiding ontvankelijk ondanks het ontbreken van een ouderschapsplan, gelet op de onmogelijkheid van partijen om tot afspraken te komen en de wens van het kind om geen omgang met de man te hebben. De hoofdverblijfplaats van de minderjarige wordt bij de vrouw vastgesteld. De man zal kinderalimentatie betalen van € 297,- per maand en partneralimentatie van € 74,- bruto per maand, beide ingaande op de datum van de beschikking.

De huwelijksgemeenschap wordt verdeeld conform het Nederlands recht vanaf 18 november 2011 en Turks recht daarvoor. De onderneming en Mercedes worden aan de man toegewezen, de inboedel en gouden sieraden aan de vrouw. Bankrekeningen worden verdeeld, waarbij de Turkse rekening aan de man blijft onder verrekening. Schulden worden verdeeld waarbij partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn, met enkele specifieke bepalingen. De scooter wordt verkocht en opbrengst verdeeld. Verzoeken tot verrekening van huur en energie worden afgewezen.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en uitgesproken op 29 april 2026 door rechter M.F. Baaij.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met toewijzing hoofdverblijfplaats, alimentatie, huurrecht en verdeling huwelijksgemeenschap.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 25-2204 + FA RK 25-3762
Zaaknummer: C/09/682372 + C/09/685513
Datum beschikking: 29 april 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 25 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw],
de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. Koyak te ’s-Gravenhage.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de man] ,
de man,
wonende op ene bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M. Erik, te ’s-Gravenhage.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift;
  • het verweer tegen het zelfstandig verzoek, tevens gewijzigd en aanvullend verzoek;
  • het F9-formulier van 4 april 2025 van de zijde van de vrouw, met als bijlage het betekeningsexploot;
  • het F9-formulier van 9 april 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 12 mei 2025 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 3 februari 2026 van de zijde van de vrouw;
  • de brief van 17 maart 2026 met aanvullende verzoeken van de zijde van de vrouw;
  • het verweer tegen de gewijzigde en aanvullende verzoeken van de vrouw, tevens aanvullend verzoek van 18 maart 2026 van de zijde van de man;
  • het F9-formulier van 30 maart 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen.
De minderjarige [de minderjarige] heeft in raadkamer haar mening kenbaar gemaakt.
Op 1 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw bijgestaan door haar advocaat en E. Aydin als tolk;
  • de man bijgestaan door zijn advocaat en U. Burgu als tolk;
  • [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum] 2001 te [plaats] .
- Zij zijn de ouders van het minderjarige kind [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] en de jong-meerderjarige kinderen [de jong-meerderjarige 1] geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats] en [de jong-meerderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 te [geboorteplaats] .
- De ouders oefenen het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] uit.
- Partijen zijn gehuwd in gemeenschap van goederen.

Verzoek en verweer

Het verzoek zoals dat na wijziging en aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de
hoofdverblijfplaatsvan [de minderjarige] bij de vrouw;
- bepaling dat het recht op
omgangtussen de man en [de minderjarige] wordt ontzegd;
- vaststelling van
kinderalimentatievan € 243,- per maand per kind, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 25 maart 2025;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen
partneralimentatievan € 633,80,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van 25 maart 2025;
- vaststelling van de
verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de vrouw inhoudende:
  • dat de inboedel van de echtelijke woning in onderling overleg tussen partijen wordt verdeeld;
  • dat de gouden sieraden aan de vrouw worden toebedeeld, zonder nadere verrekening;
  • dat de activa en passiva van ‘ [bedrijfsnaam] ’ aan de man worden toebedeeld, zonder nadere verrekening;
  • dat het saldo van de bankrekening van de man met IBAN [bankrekening] , het saldo van de Turkse bankrekening van de man en het saldo van de bankrekening van de vrouw per peildatum tussen partijen bij helfte wordt verdeeld;
  • dat de man aansprakelijk en draagplichtig is voor zijn schulden;
  • dat scooter aan de man wordt toebedeeld, onder de voorwaarde dat de helft van de waarde ervan van, te weten € 1.000,- wordt verrekend met de schuld van de man zoals geformuleerd onder randnummer 28 van zijn verweerschrift;
  • dat beide partijen draagplichtig zijn voor de huur van de echtelijke woning totdat de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en dat de man aan de vrouw dient te betalen een bedrag van € 3.963,46,- welk bedrag de vrouw verzoekt te verrekenen met de schuld van de man zoals geformuleerd in randnummer 28 van zijn verweerschrift;
  • dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de regionale belasting 2025 en 2026 en dat de man de vrouw € 300,29,- dient te betalen, welk bedrag de vrouw verzoekt te verrekenen met de schuld van de man zoals geformuleerd onder randnummer 28 van zijn verweerschrift;
  • dat beide partijen ieder voor de helft aansprakelijk en draagplichtig zijn voor de belastingschuld van de vrouw, welk bedrag de vrouw verzoekt te verrekenen met de schuld van de man zoals geformuleerd onder randnummer 28 van zijn verweerschrift;
  • dat beide partijen ieder voor de helft aansprakelijk en draagplichtig zijn voor de schuld aan Eneco;
- toedeling aan de vrouw van het
huurrechtvan de echtelijke woning;
- op grond van artikel 194 Rv Pro dan wel artikel 195 Rv Pro de man te bevelen
onderstaande
stukkente overleggen;
  • de foto’s van de inhoud van de kluis, welke zijn genomen op 10 februari 2020;
  • de bankafschriften van zijn Turkse bankrekening over de periode 25 maart 2024 tot
en met 25 maart 2025;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert verweer welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man na aanvulling, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
- vaststelling van de
verdeling van de zorg- en opvoedingstakenover [de minderjarige] , in die zin dat zij een keer per week voor de duur van een dag bij de man verblijft, althans een regeling zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
- vaststelling van de
verdeling van de huwelijksgemeenschap, conform
het voorstel van de man inhoudende dat:
  • de inboedel aan de vrouw wordt toegedeeld zonder vergoeding;
  • de onderneming van de man aan hem wordt toegedeeld zonder vergoeding;
  • het verzoek van de vrouw met betrekking tot het goud af te wijzen althans de vrouw de niet ontvankelijk te verklaren;
  • de vrouw bij helfte draagplichtig is voor de huwelijkse schulden en dat haar deel € 19.019,18,- bedraagt;
  • dat partijen hun bankrekeningen behouden en saldi dienen te delen bij helfte;
  • dat de man aan de vrouw dient te betalen ((€ 268,- / 12 x 4)/2) € 44,67,- en de vrouw aan de man dient te betalen ((€ 5.774,- / 12 x 4)/2) € 962,33,- in verband met de belastingaanslag over 2025;
  • dat de man gerechtigd is om hetgeen hij aan de vrouw dient te voldoen te verrekenen met zijn vorderingen op de vrouw;
  • althans een verdeling zoals de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren;
- toedeling aan de vrouw van het huurrecht van de echtelijke woning,
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert – onder referte van de echtscheiding, het huurrecht, de inboedel, de onderneming en verdeling saldi bankrekeningen –verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid/ontbreken ouderschapsplan
Door partijen is geen ouderschapsplan overgelegd overeenkomstig artikel 815 tweede Pro lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Nu het ouderschapsplan in de wet geformuleerd is als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding, heeft de rechtbank de bevoegdheid het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
De vrouw stelt dat het partijen niet lukt om afspraken te maken over de zorgregeling. Daarbij komt dat [de minderjarige] zelf heeft aangegeven geen omgang met de man te willen, hetgeen het maken van afspraken bemoeilijkt. Nu het partijen niet lukt om in onderling overleg een zorgregeling te treffen, is het voor de vrouw niet mogelijk om een ondertekend ouderschapsplan in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat het redelijkerwijs niet van partijen kan worden gevergd om een ondertekend ouderschapsplan te overleggen. De rechtbank zal de vrouw dan ook ontvangen in het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
Zowel de vrouw als de man hebben gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht, zodat het verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond kan worden toegewezen.
Hoofdverblijfplaats
De vrouw verzoekt de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige] bij haar te bepalen. De man voert geen verweer, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
Vaststelling zorgregeling en ontzeggen omgang
Tijdens de zitting is gesproken over de zorgregeling. Daarbij is aan de orde gekomen dat [de minderjarige] in het kindgesprek duidelijk heeft aangegeven geen contact met de man te willen. De man heeft verklaard deze wens te respecteren en [de minderjarige] niet tot contact te willen dwingen. Om die reden heeft hij zijn verzoek tot vaststelling van een zorgregeling ingetrokken. Gelet op deze intrekking zal de rechtbank hierover geen beslissing meer nemen.
De vrouw heeft op haar beurt haar verzoek tot ontzegging van de omgang ingetrokken. Zij heeft dit verzoek ingetrokken op basis van de toezegging van de man dat hij geen contact met [de minderjarige] zal opnemen, in welke vorm dan ook en haar met rust zal laten. Daarbij heeft de man aangegeven dat hij altijd zal openstaan voor contact met [de minderjarige] als zij daartoe het initiatief neemt. Gelet op de intrekking van het verzoek tot ontzegging van de omgang zal de rechtbank hierover geen beslissing meer nemen.
Kinderalimentatie ten behoeve van de jongmeerderjarigen
De vrouw verzoekt vaststelling van kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige [de minderjarige] , en de jong-meerderjarigen [de jong-meerderjarige 2] en [de jong-meerderjarige 1] . Nu [de jong-meerderjarige 2] en [de jong-meerderjarige 1] de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, heeft de vrouw een machtiging overlegd op grond waarvan zij in deze procedure namens hen optreedt en namens hen een bijdrage in hun levensonderhoud verzoekt.
De rechtbank overweegt als volgt. [de jong-meerderjarige 2] was ten tijde van de indiening van het verzoekschrift jongmeerderjarig, te weten 20 jaar oud. Een verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van een jongmeerderjarige in het kader van een echtscheidingsprocedure valt niet binnen de reikwijdte van artikel 827 Rechtsvordering Pro (Rv) (zie HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724). Dit betekent dat de jongmeerderjarige een zelfstandig verzoek dient in te dienen in een afzonderlijke procedure. De vrouw zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
Ten aanzien van [de jong-meerderjarige 1] overweegt de rechtbank als volgt. [de jong-meerderjarige 1] was ten tijde van het indienen van het verzoekschrift 17 jaar. Acht dagen na de indiening van het verzoekschrift is [de jong-meerderjarige 1] 18 jaar geworden. In het verzoekschrift van 25 maart 2025 heeft de vrouw vermeld dat zij voor [de jong-meerderjarige 1] is gemachtigd en voor hem alimentatie verzoekt. Daarbij heeft de vrouw [de jong-meerderjarige 1] reeds als 18-jarige aangeduid. Hieruit leidt de rechtbank af dat de vrouw heeft beoogd om, vanaf het moment dat [de jong-meerderjarige 1] de leeftijd van 18 jaar zou bereiken, een onderhoudsbijdrage voor hem te laten vaststellen.
Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek beoordelen alsof [de jong-meerderjarige 1] ten tijde van de indiening van het verzoekschrift reeds jongmeerderjarig was. Dit brengt mee dat het verzoek op dezelfde wijze dient te worden beoordeeld als het verzoek ten aanzien van [de jong-meerderjarige 2] . Een verzoek tot vaststelling van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van een jongmeerderjarige in het kader van een echtscheidingsprocedure valt niet binnen de reikwijdte van artikel 827 Rv Pro (vgl. HR 9 mei 2025, ECLI:NL:HR:2025:724). De jongmeerderjarige dient in dat geval een zelfstandig verzoek in een afzonderlijke procedure in te dienen. Het door de vrouw namens [de jong-meerderjarige 1] gedane verzoek kan derhalve niet in deze procedure worden behandeld. De vrouw zal ook ten aanzien van dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard.
Kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige]
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank als uitgangspunt de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport Alimentatienormen (hierna: het rapport). De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Behoefte
Bij de berekening van de kinderalimentatie wordt eerst gekeken naar wat de kosten van een kind (de behoefte) zijn. De behoefte van [de minderjarige] is tussen partijen in geschil. De rechtbank zal aan de hand van het netto besteedbaar inkomen het kindgebonden budget berekenen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het NBI van de vrouw € 1.363,- per maand bedroeg, zodat de rechtbank dat zal volgen.
Partijen zijn het niet eens over het NBI van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. De vrouw stelt dat bij de berekening van het NBI van de man rekening moet worden gehouden met een gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2023, 2024 en 2025. De rechtbank acht dit niet redelijk. Partijen zijn begin 2025 uit elkaar gegaan, zodat de rechtbank uitgaat van een gemiddelde winst uit onderneming van de man over de jaren 2022 tot en met 2024. De gemiddelde winst over de jaren 2022 tot en met 2024 bedroeg € 32.701,-. De rechtbank zal hiermee rekening houden.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen fiscale heffingskortingen, berekent de rechtbank zijn NBI van de man op het moment van het huwelijk op € 2.524,- per maand.
Het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen bedroeg in 2025 dus € 4.098,- per maand (€ 1.363,-
(NBI vrouw) +€ 2.524,- (
NBI man)). Op basis van dit NBGI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 211,- per maand. Op basis van de tabel eigen aandeel kosten van de drie thuiswonende (minderjarige en jong-meerderjarige) kinderen 2025, leidt het voorgaande tot een behoefte van € 977,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt deze behoefte € 1.022,- per maand. Dat betekent dat [de minderjarige] een behoefte heeft van 341,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een UWV uitkering van € 1.645,- bruto per maand te meerderen met vakantiegeld.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 1.981,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Bij een NBI van € 1.950,- tot € 2.200,- per maand wordt de draagkracht bepaald op een vast bedrag uit de draagkrachttabel, afhankelijk van de hoogte van het NBI. Omdat het NBI tussen € 1.950,- en € 2.000,- valt, zal de rechtbank met toepassing van de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 50,- per maand voor de vrouw in aanmerking nemen.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een de winst uit onderneming over de afgelopen twee jaren. De rechtbank ziet aanleiding om uit te gaan van twee in plaats van drie jaren, nu de man in 2025 een cursus heeft gevolgd die heeft geleid tot een stijging van zijn inkomsten, wat ook blijkt uit de overgelegde jaarcijfers. De rechtbank acht het redelijk om met deze ontwikkeling rekening te houden. De winst uit onderneming bedroeg in 2024 € 41.881,- en in 2025 € 45.427,-. De gemiddelde winst uit onderneming over de jaren 2024 en 2025 bedraagt € 43.645,- per jaar. De rechtbank zal van dit gemiddelde uitgaan bij de vaststelling van de draagkracht van de man.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 3.075,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Volgens de man dient bij de berekening van zijn draagkracht rekening te worden gehouden met enkele schulden. Zo lost hij maandelijks een bedrag van € 170,- af op een schuld bij de SNS Bank. Daarnaast betaalt hij maandelijks € 133,- aan de Belastingdienst in verband met te veel ontvangen toeslagen. In totaal betaalt de man dus maandelijks een bedrag van € 303,- aan schulden.
De vrouw voert hiertegen verweer. Zij stelt dat de man pas recent, te weten sinds het begin van de echtscheidingsprocedure, dat wil zeggen per februari 2025, is gestart met het aflossen van zijn schuld bij de SNS Bank. Volgens de vrouw heeft de man hiermee uitsluitend beoogd zijn draagkracht te verlagen. Daarnaast is de vrouw van mening dat de schulden van de man niet zodanig omvangrijk zijn dat deze niet eerder hadden kunnen worden afgelost. De man heeft immers altijd hard gewerkt en een goed inkomen gehad. In plaats van zijn geld uit te geven aan cursussen, had de man zijn geld ook kunnen gebruiken om zijn schulden af te lossen. Dat heeft hij echter nagelaten. De vrouw stelt daarom dat sprake is van verwijtbare en vermijdbare schulden.
De rechtbank zal bij de berekening van de draagkracht wel rekening houden met de door de man opgevoerde schulden. Niet is gebleken dat sprake is van verwijtbare of vermijdbare schulden. Daarnaast betreft het schulden die zijn ontstaan tijdens de huwelijkse periode en dat ook de vrouw daarvan heeft geprofiteerd. De rechtbank zal derhalve uitgaan van een bedrag van € 303,- per maand aan door de man af te lossen schulden.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- zal de rechtbank voor de berekening van zijn draagkracht de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.365,-)] gebruiken. De draagkracht van de man bedraagt dan: 70% x [3.075 – (922 + 1365) - 303] = € 340,- per maand.
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 390,- per maand (€ 50,- + € 340,-). Dit is voldoende om in de behoefte van [de minderjarige] te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 340 / 390 x 341 = € 297,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 50 / 390 x 341 =
€ 44,-
samen € 341,-
Van de totale behoefte van [de minderjarige] komt een gedeelte van € 297,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 44,- per maand komt voor rekening van de vrouw.
Omdat er tussen de man en [de minderjarige] geen omgang bestaat zal de rechtbank geen zorgkorting in mindering brengen op het aandeel van de man.
Ingangsdatum
Gelet op het feit dat de man de afgelopen jaren de nodige betalingen voor [de minderjarige] heeft gedaan -over de hoogte waarvan partijen verschillen van mening- en er geen voorlopige voorzieningen door de vrouw zijn verzocht, ziet de rechtbank geen aanleiding om de kinderalimentatie met terugwerkende kracht vast te stellen. De rechtbank zal als ingangsdatum van de kinderalimentatie vaststellen de datum van deze beschikking.
Conclusie
Aangezien de rechtbank geen hoger kinderalimentatiebedrag vaststelt dan verzocht, zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van de datum van deze beschikking € 243,- per maand aan kinderalimentatie aan de vrouw zal voldoen.
Partneralimentatie
De vrouw verzoekt een bedrag van € 633,80,- aan partneralimentatie. De man voert verweer en stelt dat hij geen draagkracht heeft.
Behoefte
De vrouw stelt dat haar huwelijksgerelateerde behoefte € 2.490,- per maand bedraagt. Zij heeft haar behoefte berekend aan de hand van de hofnorm.
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen op € 4.098,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de kinderen worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 3.076,- per maand (€ 4.098 -/- € 1.022) beschikbaar was voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm afgerond € 1.846,- netto per maand (60% van € 3.076,- per maand).
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 1.846,- per maand moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. Het aandeel van de vrouw in de kosten van de kinderen, voor zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen KGB wordt gedekt, moet er vervolgens weer bij worden opgeteld. Dit leidt tot een aanvullende behoefte van € 483,- netto per maand. Dat is € 842,- bruto per maand.
Draagkracht
De rechtbank gaat bij de berekening van de draagkracht van de man uit van dezelfde gegevens als bij de berekening van de draagkracht van de man bij de kinderalimentatie.
Uitgaande van de gegevens zoals hierboven weergeven berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.075,- per maand. De rechtbank verwijst hierbij naar de aan de beschikking gehechte berekening.
De rechtbank zal tevens rekening houden met een bedrag van € 303,- per maand aan schulden die de man aflost.
Op grond van het voorgaande, bedraagt de draagkrachtruimte van de man € 485,- per maand. Hiervan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, wat neerkomt op € 291,- netto per maand. Daarop wordt het aandeel van de man in de kosten van de kinderen van € 243,- per maand in mindering gebracht. Hierna is € 48,- per maand beschikbaar voor partneralimentatie. Dat is € 74,- bruto per maand.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid de ingangsdatum van de partneralimentatie vaststellen op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.
Conclusie
Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te betalen partneralimentatie zal vaststellen op € 74,- bruto per maand.
Huurrecht
De vrouw heeft verzocht om het huurrecht van de huurwoning aan de [adres] aan haar toe te kennen. De man is het hiermee eens, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
Verdeling van de huwelijksgemeenschap
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek ten aanzien van de verdeling.
Partijen zijn gehuwd op [datum] 2001. De vrouw had toen de Nederlandse en de Turkse nationaliteit en de man enkel de Turkse nationaliteit. De man beschikt sinds 18 november 2011 over de Nederlandse nationaliteit.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing. Niet gebleken is dat de echtgenoten een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht. Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking in Turkije op [datum] 2001 beiden de Turkse nationaliteit. Turkije is een zogenoemd nationaliteitsland in de zin van het hiervoor genoemde Verdrag. De echtgenoten hadden hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland.
Krachtens artikel 4, tweede lid, onder 2 van voormeld Verdrag, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Turkse recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, nu Turkije geen partij is bij het Verdrag, terwijl volgens het internationaal privaatrecht van deze staat zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten hun eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden in Nederland, zijnde een staat die de in artikel 5 van Pro het verdrag bedoelde verklaring heeft afgelegd. Op grond van artikel 7 van Pro het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 is daarom vanaf 18 november 2011 het Nederlands recht van toepassing op het huwelijksvermogensregime, aangezien partijen na h hun gewone verblijfplaats in Nederland hadden en zij vanaf die datum beiden de Nederlandse nationaliteit hadden.
Gezien het vorenstaande is op het huwelijksvermogensregime over de periode van [datum] 2001 tot 18 november 2011 Turks recht van toepassing. Vanaf 18 november 2011 is Nederlands recht van toepassing op het tussen partijen geldende huwelijksvermogensrecht.
Het Nederlands recht kent als wettelijk huwelijksgoederenstelsel de algehele gemeenschap van goederen. Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden een daarvan afwijkend huwelijksgoederenregime zijn overeengekomen, zodat de rechtbank ervan uit gaat dat er tussen partijen sprake is van gemeenschap van goederen. Deze gemeenschap dient ingevolge artikel 1:100 BW Pro bij helfte tussen partijen te worden verdeeld.
Overwogen wordt verder dat het “wagonstelsel” van het Verdrag inhoudt dat de wijziging van het huwelijksvermogensregime slechts gevolg heeft voor de toekomst. De algehele gemeenschap van goederen omvat daarom slechts de activa die zijn verworven en de schulden die zijn aangegaan, ná de datum waarop partijen meer dan tien jaar hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. Op hetgeen ieder van de partijen voordien heeft verworven, en de voordien aangegane schulden blijft het Turkse huwelijksvermogensregime van toepassing.
Peildatum
Zoals hieronder zal blijken, zullen de hierna te noemen vermogensbestanddelen worden verdeeld naar Nederlands recht, voor zover er verdeling plaatsvindt. Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen een andere peildatum zijn overeengekomen, heeft als peildatum voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap te gelden het tijdstip van indiening van het verzoek tot echtscheiding (25 maart 2025). Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt de datum van feitelijke verdeling, tenzij partijen anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan dient te worden afgeweken.
Partijen hebben de volgende vermogensbestanddelen naar voren gebracht die een rol spelen bij de afwikkeling van het huwelijkse vermogen:
  • de inboedel;
  • de gouden sieraden;
  • de onderneming van de man;
  • de bankrekeningen
  • de schulden van de man;
  • de auto en de scooter.
Ad 1: de inboedel
Partijen zijn het er over eens dat de in de echtelijke woning aanwezige inboedel in de gemeenschap van goederen valt en dat deze aan de vrouw zal worden toebedeeld zonder nadere verrekening, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
Ad 2: de gouden sieraden
De vrouw stelt dat zij tijdens het huwelijk gouden sieraden geschonken heeft gekregen. Zij meent dat Turks recht van toepassing is op de verdeling van de gouden sieraden. Het goud is immers tijdens het huwelijksfeest in 2001 aan de vrouw geschonken. Conform het Turks recht valt het goud niet binnen de gemeenschap, maar behoort het toe aan het privévermogen van de vrouw, zodat de gouden sieraden/munten aan de vrouw moeten worden toebedeeld. Volgens de vrouw heeft de man echter kort geleden verschillende gouden sieraden uit het safeloket gehaald. Dit betekent volgens haar dat de man een deel van de gouden sieraden heeft verduisterd. Concreet betekent dit volgens de vrouw dat er sprake is van benadeling (artikel 1:164 lid 1 BW Pro), zodat de vrouw stelt dat de man de gouden sieraden aan haar hoort te overhandigen.
De man betwist de stellingen van de vrouw. Hij stelt dat het ten tijde van het huwelijk geschonken goud is ingewisseld en dat met de opbrengsten daarvan gouden sieraden zijn gekocht. Daarnaast heeft de man meer gouden sieraden en een gouden muntstuk gekocht. Een deel van deze sieraden en het gouden muntstuk zijn zoek. De man stelt dat hij naast de sieraden en het muntstuk goud voor de kinderen heeft gekocht. De man wil echter geen onnodige escalatie en ziet dat het goud voor de vrouw belangrijk is. De man is dan ook van mening dat het goud (wat nog over is) aan de vrouw kan worden toebedeeld. Het goud van de kinderen heeft hij al op 10 maart 2025 aan hen gegeven, met uitzondering van het goud van [de jong-meerderjarige 1] , dat hij nog aan hem zal overhandigen.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu de man heeft aangegeven dat het goud aan de vrouw kan worden toebedeeld, is het naar het oordeel van de rechtbank niet nodig om vast te stellen welk recht van toepassing is. De rechtbank zal aldus bepalen dat alle gouden sieraden die niet aan de kinderen toebehoren aan de vrouw worden toebedeeld.
Partijen discussiëren over de samenstelling en het aantal gouden sieraden. De vrouw heeft tevens op grond van artikel 194 Rv Pro dan wel 195 Rv verzocht de man te bevelen foto’s van de inhoud van de kluis te overleggen. De rechtbank zal dit verzoek afwijzen, omdat het gaat om foto’s uit 2021 en gesteld noch gebleken is dat er sinds 2021 niets meer veranderd is aan de inhoud van de kluis. Voor het overige is het niet aan de rechtbank om in deze procedure vast te stellen hoeveel goud er precies is.
Ad 3: de onderneming van de man
Partijen zijn het erover eens dat de onderneming, met de daaraan verbonden activa en passiva, aan de man wordt toebedeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de vrouw heeft erkend dat de Mercedes onderdeel uitmaakt van de onderneming, zodat ook deze aan de man wordt toebedeeld.
Ad 4. de bankrekeningen
Zowel de man als de vrouw hebben verzocht het saldo van de bankrekeningen bij helfte te verdelen. Beide partijen hebben hun bankafschriften gedeeld.
De man stelt dat het saldo op zijn bankrekening in Turkije 127,21 TL bedraagt, omgerekend € 2,90,-. De vrouw betwist dit standpunt en voert aan dat op deze rekening spaargeld staat. De vrouw verzoekt om op grond van artikel 194 Rv Pro dan wel artikel 195 Rv Pro de man te bevelen de bankafschriften van zijn Turkse bankrekening over de periode van 25 maart 2024 tot en met 25 maart 2025 over te leggen.
De rechtbank overweegt als volgt. Partijen zijn het eens over het saldo van de Nederlandse bankrekeningen. De rechtbank zal aldus bepalen dat ieder zijn of haar Nederlandse bank- en spaarrekening(en) behoudt, onder verrekening van de helft van het saldo per peildatum.
Ten aanzien van de Turkse bankrekening van de man betwist de vrouw het saldo per peildatum. Zij stelt dat op deze rekening spaargeld zou staan, zodat het saldo hoger zou moeten zijn. Dit punt is tijdens de zitting met partijen besproken. De man heeft toegezegd te zullen trachten de bankafschriften over de periode van 25 maart 2024 tot en met 25 maart 2025 te achterhalen en deze met de vrouw te delen. Gelet op deze afspraak zal de rechtbank bepalen dat de Turkse bankrekening aan de man wordt toebedeeld, onder verrekening van de helft van het saldo per peildatum aan de vrouw.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, voor zover de vrouw heeft bedoeld een vordering uit hoofde van benadeling op de man te baseren, zij deze onvoldoende heeft onderbouwd. De rechtbank zal dit verzoek dan ook afwijzen.
Ad 5: de schulden
Volgens de man hebben partijen de volgende gemeenschappelijke schulden waarvoor partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn:
  • schuld aan de SNS bank ad. € 8.289,37,-;
  • schuld aan [naam 2] ad. € 23.000,-;
  • schuld aan de Belastingdienst Toeslagen ad € 3.174,-;
  • de nog te betalen aanslag over het jaar 2024 ad. € 3.575,-.
De vrouw voert verweer tegen de gestelde schulden van de man. Zij erkent dat [naam 2] tijdens het huwelijk geld heeft geleend aan de man. De vrouw stelt dat het om een bedrag van € 16.000,- gaat. Er is inderdaad sprake van een lening die moet worden terugbetaald. Echter, [naam 2] heeft verklaard dat hij de bedragen niet vrijwillig aan de man heeft betaald. Hij stelt dat de man hem heeft gedwongen om het geld te lenen. De vrouw vindt dat hier rekening mee dient te worden gehouden.
Daarnaast merkt de vrouw op dat de man pas recent is begonnen met het aflossen van de schulden en dat hij altijd voldoende inkomen heeft gehad om zijn schulden tijdig te kunnen voldoen. Dit heeft hij echter nagelaten. De vrouw vindt het dan ook zeer onredelijk dat zij met haar minimale inkomen moet opdraaien voor de helft van zijn schulden.
Voorts stelt de vrouw dat zij sinds de aanvang van de scheidingsprocedure de volledige huur van de (voormalige) echtelijke woning heeft betaald. Daarnaast heeft zij nooit een bijdrage voor het levensonderhoud van de minderjarigen ontvangen. De vrouw stelt dat zij hierdoor een regresvordering op de man heeft, nu zij meer heeft betaald dan waartoe zij gehouden was. De vrouw verzoekt in dit kader te bepalen dat de helft van de door haar betaalde huur van € 3.963,46,- wordt verrekend met de door de man gestelde openstaande schuld waarvoor hij om verrekening heeft verzocht.
Daarnaast heeft de vrouw in de afgelopen periode, ondanks haar beperkte inkomen, de regionale belastingen volledig voor haar rekening genomen. Zij verzoekt dan ook te bepalen dat beide partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de regionale belasting 2025 en 2026, en dat de man de vrouw € 300,29,- dient te betalen. De vrouw verzoekt dit bedrag te verrekenen met de door de man gestelde openstaande schuld waarvoor hij om verrekening heeft verzocht.
Verder legt de vrouw haar verzonden aangifte IB over waaruit blijkt dat zij nog € 268,- dient te betalen, welke schuld de vrouw eveneens in de verrekening wenst te betrekken.
Tot slot stelt de vrouw dat sprake is van een te hoog energieverbruik, waardoor een nader vast te stellen bedrag dient te worden terugbetaald. De vrouw verzoekt dan ook te bepalen dat beide partijen hoofdelijk aansprakelijk en ieder voor de helft draagplichtig zijn voor de schuld aan Eneco.
De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt allereerst het volgende voorop. Schulden komen niet voor verdeling in aanmerking omdat een schuld geen goed is zoals bedoeld in artikel 3:182 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW). Verder is het niet mogelijk om wijzigingen aan te brengen in de aansprakelijkheid van beide (ex-)echtgenoten tegenover schuldeisers zoals dat is geregeld in artikel 1:102 BW Pro.
Schuld SNS Bank
Ten aanzien van de schuld bij de SNS Bank is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat deze schuld tot de huwelijksgemeenschap behoort. De rechtbank zal derhalve bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld.
Schuld [naam 2]
Ten aanzien van de schuld aan [naam 2] is de rechtbank van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat deze schuld tot de huwelijksgemeenschap behoort. Hoewel de vrouw stelt dat [naam 2] de geldbedragen niet geheel vrijwillig heeft uitgeleend, erkent zij dat sprake is van een lening die dient te worden terugbetaald. Nu de lening tijdens het huwelijk is aangegaan, zijn beide partijen daarvoor draagplichtig. De rechtbank zal derhalve bepalen dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn voor deze schuld.
Belastingschuld
Ten aanzien van de schuld aan de Belastingdienst is naar het oordeel van de rechtbank voldoende komen vast te staan dat deze tot de huwelijksgemeenschap behoort. Partijen zijn derhalve ieder voor de helft draagplichtig voor deze schuld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Aangifte inkomstenbelasting 2024
Ten aanzien van de te betalen aanslag inkomstenbelasting 2024 is de rechtbank eveneens van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een gemeenschapsschuld. Partijen zijn ook hiervoor ieder voor de helft draagplichtig. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Regionale belastingen
Ten aanzien van de regionale belastingen overweegt de rechtbank als volgt. Nu de man in de eerste vier maanden van 2025 nog in de echtelijke woning heeft gewoond, acht de rechtbank het redelijk dat hij draagplichtig is voor 4/12e deel van de over 2025 verschuldigde regionale belastingen. De man heeft ter zitting verklaard met deze verdeling in te stemmen, zodat de rechtbank dienovereenkomstig zal beslissen.
Aangifte IB aanslag 2025
Ten aanzien van de aangifte IB aanslag 2025 acht de rechtbank het redelijk dat de vrouw volledig draagplichtig is voor de schuld aangezien deze schuld (grotendeels) na de peildatum is ontstaan. De rechtbank zal dienovereenkomstig bepalen.
Eneco schuld
Ten aanzien van de schuld bij Eneco overweegt de rechtbank als volgt. De vrouw heeft ter onderbouwing van haar stelling productie 26 overgelegd. Uit deze productie kan echter niet worden afgeleid dat de schuld op of vóór de peildatum is ontstaan. Daarmee is niet komen vast te staan dat deze tot de huwelijksgemeenschap behoort. Het verzoek van de vrouw zal daarom worden afgewezen. De vrouw is dus draagplichtig voor de schuld bij Eneco.
Te veel betaalde huur
Ten aanzien van de stelling van de vrouw dat zij een vordering op de man heeft wegens betaling van de huur na de peildatum, overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank is van oordeel dat een rechtsgrond voor een dergelijke vergoeding ontbreekt. De vrouw heeft gedurende de echtscheidingsprocedure gebruik gemaakt van de echtelijke woning, nadat de man deze heeft verlaten. Het enkele feit dat de man medehuurder is geweest, brengt niet mee dat hij voor de helft draagplichtig is voor de door de vrouw betaalde huur (na de peildatum). Daarbij komt dat de man na het verlaten van de woning eveneens kosten heeft moeten maken voor alternatieve woonruimte. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw afwijzen.
Ad 6: de auto en de scooter
Zoals hiervoor reeds is overwogen, maakt de Mercedes onderdeel uit van de onderneming. De Mercedes zal aan de man worden toegedeeld zonder verrekening.
Partijen zijn het erover eens dat de scooter zal worden verkocht en dat de opbrengst bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2001 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige] , geboren op [geboortedatum 1] 2010 te [geboorteplaats] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vrouw;
*
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning gelegen aan de [adres] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van de datum van deze beschikking ten behoeve [de minderjarige] een bedrag van € 297,- per maand aan kinderalimentatie zal voldoen;
bepaalt de door de man aan de vrouw met ingang de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand de te betalen partneralimentatie op € 74, bruto- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt de verdeling van de algehele gemeenschap van goederen als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
1. aan de man wordt toebedeeld:
1.1.
de onderneming van de man, met de daaraan verbonden activa en passiva, inclusief de Mercedes, zonder nadere verrekening;
1.2.
de op zijn naam staande bank- en spaarrekeningen, onder de verplichting de helft van het op de peildatum bestaande saldo aan de vrouw te voldoen, waarbij de man probeert inzage te geven in het saldo van de Turkse rekening over de periode van 25 maart 2024 tot en met 25 maart 2025;
2. aan de vrouw wordt toebedeeld:
2.1.
de op haar naam staande bank- en spaarrekeningen, onder de verplichting de
helft van het op de peildatum bestaande saldo aan de man te voldoen;
2.2.
de inboedel, zonder nadere verrekening;
2.3.
de gouden sieraden, zonder nadere verrekening;
*
bepaalt dat partijen ieder voor de helft draagplichtig zijn ten aanzien van de volgende schulden:
  • de schuld aan de SNS bank;
  • de schuld aan [naam 2] ;
  • de schuld aan de Belastingdienst Toeslagen;
  • de nog te betalen aanslag inkomstenbelasting over het jaar 2024;
*
bepaalt dat de vrouw in de interne verhouding tussen partijen volledig draagplichtig is voor de volgende schulden:
  • een schuld aan de belastingdienst aangaande de aanslag IB 2025;
  • een schuld aan Eneco;
*
bepaalt dat de man in de interne verhouding tussen partijen voor 4/12e deel van de over 2025 verschuldigde regionale belastingen draagplichtig is;
*
bepaalt dat de scooter zal worden verkocht en dat de opbrengst bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld;
*
verklaart deze vaststelling uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.F. Baaij, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Visser als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 29 april 2026.