Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 april 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat
Procesverloop
.
Overwegingen
Verzoek om materiële schadevergoeding
Verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn
Conclusie en gevolgen
5 augustus 2025, de reactie op het advies van [bedrijfsnaam] van 16 oktober 2025 en de zienswijze van 26 februari 2026). Totaal levert dit 4,5 punten op. De brief van eiseres van 16 januari 2026, waarin zij reageert op bestreden besluit 3, is qua inhoud vrijwel identiek aan de reactie van 16 oktober 2025. Daarom wordt die brief niet meegeteld bij de proceskostenvergoeding. De vergoeding bedraagt daarom in totaal € 4.203,-. Ook krijgt eiseres een vergoeding voor de kosten die zij heeft gemaakt voor het laten uitvoeren van de medische contra-expertise waarvoor de kosten zijn vastgesteld op € 2.389,75. Het totale bedrag van de proceskostenvergoeding is € 6.592,75.
Beslissing
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 1 en bestreden besluit 2 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit 3 ongegrond;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 50,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot het betalen van € 2.500,- aan schadevergoeding aan eiseres wegens overschrijding van de redelijke termijn;
- wijst het verzoek om schadevergoeding voor het overige af;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 6.592,75 aan proceskosten aan eiseres.
mr.E.P.A. Stok, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 april 2026.