Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 1 augustus 2025 een beslistermijn van zes weken had gesteld.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ook zonder ingebrekestelling, omdat in de eerdere uitspraak een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn is genoemd. De minister heeft niet binnen die termijn een besluit genomen, waardoor het beroep gegrond is.
De rechtbank stelt een nieuwe beslistermijn van acht weken na verzending van deze uitspraak vast, waarbij de minister een dwangsom van €250 per dag moet betalen bij overschrijding, met een maximum van €37.500. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser van €467.
De uitspraak is gedaan door rechter A. Skerka en griffier J.B. Thépass en is uitgesproken in het openbaar op 22 april 2026.