4.1.In het bestreden besluit blijft verweerder grotendeels bij zijn standpunt uit het primaire besluit. Verweerder heeft zich nog wel aanvullend op het standpunt gesteld dat hij in het primaire besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of eiseres als pleegkind had moeten worden aangemerkt. Er is volgens verweerder echter geen sprake van een gezinsband op grond van een pleegzorgrelatie. Verder stelt verweerder zich nog op het standpunt dat hij geen belangenafweging hoeft te maken, gelet op een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).
Wat voert eiseres aan in beroep?
5. Eiseres voert aan dat het bestreden besluit niet rechtmatig tot stand is gekomen, omdat het onbevoegd is ondertekend. Eiseres voert verder aan dat de aanvraag als nareisaanvraag behandeld had moeten worden in plaats van als aanvraag op grond van artikel 8 van het EVRM. De relatie met referente is volgens eiseres zeer vergelijkbaar met die van ouders met kinderen, nu referente als een moeder voor eiseres heeft gezorgd. Eiseres heeft met referente aanvankelijk tijdelijk bij hun oudere zus gewoond, maar zij voelden zich daar niet veilig vanwege de gewelddadige echtgenoot van de zus en zijn er daarom weggegaan. Dat eiseres met referente is weggegaan, geeft aan dat referente de feitelijk zorg over eiseres droeg. Dat de oudere zus na het vertrek van referente weer enig toezicht en zorg heeft geboden en dat eiseres na het vertrek van referente een tijd bij haar oudere zus heeft gewoond, laat volgens eiseres onverlet dat er op het moment dat referente het land moest verlaten sprake was van gezinsleven tussen eiseres en referente. Eiseres en referente menen dat het gezinsleven door de vlucht van referente is verbroken en dat het recht op gezinsherenging daarop ziet. Het is vergelijkbaar met de situatie van een ouder die kinderen moet achterlaten bij de vlucht. Als er dan iemand anders voor die kinderen gaat zorgen, wordt door verweerder ook niet geoordeeld dat de gezinsband met de ouders is verbroken. De omstandigheid dat referente later dan drie maanden na het verkrijgen van een zelfstandige verblijfsvergunning heeft verzocht om gezinshereniging in het kader van nareis, maakt dan ook niet dat hiervan geen sprake meer zou zijn en dat dan aan de maatstaf van artikel 8 van het EVRM en “hechte persoonlijke banden” zou moeten worden voldaan. Eiseres voert verder aan dat verweerder haar in een nadelige positie heeft gebracht door zeer lang over de beslissing te doen. Eiseres is immers steeds ouder geworden, waardoor verweerder meer zelfstandigheid van eiseres aanneemt of verlangt. Eiseres voert tot slot aan dat het onzorgvuldig is dat enkel referente is gehoord en niet eiseres zelf. Als eiseres zelf gehoord zou zijn zou verweerder een duidelijker beeld hebben gekregen van de afhankelijkheid van eiseres van referente.
Heeft verweerder het bestreden besluit onbevoegd ondertekend?
6. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit van 6 september 2024 ten onrechte is genomen namens de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Terecht heeft eiseres aangevoerd dat met ingang van 2 juli 2024 de bevoegde beslissingsautoriteit in het Nederlandse vreemdelingenrecht is gewijzigd van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid naar de minister van Asiel en Migratie. Er is dan ook een gebrek in het bestreden besluit. De rechtbank is echter, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2007, van oordeel dat dit gebrek kan worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beschikking is namelijk ondertekend door een ambtenaar die daartoe bevoegd was. Daarnaast is niet gebleken dat eiseres door de onjuiste ondertekening in haar belangen is geschaad.
Heeft verweerder het juiste beleid toegepast bij het beoordelen van de aanvraag?
7. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat referente het formulier ‘aanvraag voor het verblijfsdoel familie en gezin’ heeft ingediend en geen aanvraag heeft ingediend voor een mvv in het kader van nareis. Ten aanzien van de stelling dat verweerder de aanvraag wel als nareisaanvraag had moeten aanmerken, heeft verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de aanvraag niet binnen de zogenaamde drie-maanden termijn is ingediend en daar geen verschoonbare reden voor is. Daarom kan de aanvraag niet gelden als nareisaanvraag zoals bedoeld in artikel 29 lid 2, sub a, b of c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).