ECLI:NL:RBDHA:2026:14156
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voortduren maatregel bewaring vreemdeling zonder beroepsgronden
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en als rechtmatig beoordeeld tot 1 april 2026. De beoordeling richtte zich daarom op de periode vanaf die datum.
De eiser, met de Mauritaanse nationaliteit, diende geen beroepsgronden in en zijn gemachtigde gaf aan geen opmerkingen te hebben over het voortduren van de maatregel. De rechtbank voerde een ambtshalve toets uit en concludeerde dat, mede gelet op het lopende nader onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van eiser, het voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was.
Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak is definitief en staat geen rechtsmiddel tegen open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.