ECLI:NL:RBDHA:2026:7425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
1 april 2026
Zaaknummer
NL26.15948
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VreemdelingenwetArt. 5.1b derde lid VreemdelingenbesluitArt. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring wegens onttrekkingsrisico

Eiser, een Marokkaanse vreemdeling, is op 19 maart 2026 onderworpen aan een maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet. De maatregel is genomen vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren.

Eiser heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding gedaan. Tijdens de zitting op 1 april 2026 heeft eiser de gronden voor bewaring niet betwist. De rechtbank stelt vast dat de zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn.

Eiser voerde aan dat een lichter middel had moeten worden toegepast, maar verweerder heeft gemotiveerd dat dit niet doeltreffend zou zijn gezien eerdere onttrekkingen van eiser aan toezicht. De rechtbank concludeert dat de maatregel rechtmatig is en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.15948

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1986 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
Maatregel van bewaring
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. Deze zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. De gronden kunnen de maatregel dragen, zodat het risico op onttrekking daarmee is gegeven.
Lichter middel
4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen lichter middel heeft toegepast. Eiser begrijpt dat hij zich moet houden aan het toezicht en dat dit zijn laatste kans is.
5. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat niet is gebleken dat een lichter middel doeltreffend is om het onttrekkingsrisico te ondervangen. De enkele stelling van eiser dat hij zich niet zal onttrekken aan het risico is onvoldoende, gelet op het feit dat eiser al twee keer eerder met onbekende bestemming is vertrokken en niet heeft voldaan aan zijn vertrekplicht. Verder is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend maken en waarin verweerder aanleiding had moeten zien voor een lichter middel.
Ambtshalve toets
6. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 1 april 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.