De eiser was jarenlang bestuurder en algemeen directeur bij het bedrijf en had een concurrentiebeding van twee jaar na beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst. Na overname en fusie werd hij ontslagen als bestuurder en eindigde zijn arbeidsovereenkomst. Eiser vorderde in kort geding schorsing van het concurrentiebeding en een maandelijkse vergoeding gelijk aan zijn laatstverdiende loon.
De rechtbank oordeelde dat eiser geen spoedeisend belang had omdat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij op korte termijn bij een concurrent zou gaan werken of een concurrerende onderneming zou starten. Ook was onvoldoende onderbouwd dat hij door het concurrentiebeding in een hachelijke financiële positie was gekomen.
Inhoudelijk woog de rechtbank het zwaarwegende belang van de werkgever om bedrijfsinformatie en klantenrelaties te beschermen tegen het belang van eiser om het concurrentiebeding te schorsen. Gezien de vertrouwelijke positie van eiser en zijn kennis van bedrijfsgeheimen, vond de rechtbank dat het belang van de werkgever zwaarder woog. De gevorderde maandelijkse vergoeding werd eveneens afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van belemmering op de arbeidsmarkt.
De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.