Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Oezbeekse nationaliteit dragende vreemdeling, kreeg op 4 maart 2025 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar opgelegd wegens het niet rechtmatig verblijven in Nederland en het risico op onttrekking aan toezicht. Eiser stelde dat hij op 7 maart 2025 een asielaanvraag had ingediend en dat hij daardoor procedureel rechtmatig verblijf had, en voerde aan dat het inreisverbod onevenredig zware gevolgen had.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit terecht was uitgevaardigd omdat eiser ten tijde van het besluit niet rechtmatig verbleef. De asielaanvraag die na het besluit werd ingediend, maakte het besluit niet onrechtmatig. De rechtbank stelde vast dat de door verweerder aangevoerde zware en lichte gronden niet waren betwist en feitelijk juist waren.
Verder concludeerde de rechtbank dat de omstandigheden van eiser, zoals zijn financiële situatie en afhankelijkheid van andere Europese landen, geen bijzondere, individuele omstandigheden vormden om af te zien van het inreisverbod of de duur daarvan te verkorten. Ook was er geen aanleiding om te veronderstellen dat eiser nog rechtmatig verblijf had in Hongarije op basis van een verlopen D-visum.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter M.L. Weerkamp op 27 mei 2026.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod is ongegrond verklaard.