Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13937

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
28 mei 2026
Zaaknummer
09.016974.26, 09.345835.25, 09.335976.25, 09.350457.25, 09.353768.25 (ttz. gev.) en 09.311658.25 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 57 SrArt. 63 SrArt. 285 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor veertien fietsdiefstallen, pogingen, bedreiging en diefstal petflessen

De rechtbank Den Haag heeft op 12 mei 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 1978, die zich schuldig heeft gemaakt aan meerdere diefstallen van (elektrische) fietsen en fatbikes, pogingen daartoe, bedreiging en diefstal van een grote hoeveelheid petflessen van de Pathé Spuimarkt.

De feiten betreffen veertien diefstallen en drie pogingen tot diefstal van fietsen in de periode van december 2025 tot januari 2026, een bedreiging met een mes op 16 januari 2026 en diefstal van petflessen op 15 januari 2026. De verdachte gebruikte onder meer een slijptol om sloten door te slijpen. De bedreiging vond plaats toen een aangever de verdachte betrapte op fietsendiefstal.

De rechtbank achtte de tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen op basis van bekennende verklaringen, aangiftes, getuigenverklaringen en politieonderzoek. De verdediging pleitte vrijspraak voor de bedreiging en pogingen, maar dit werd verworpen. De verdachte werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

Daarnaast werden diverse schadevergoedingen toegewezen aan benadeelden, variërend van enkele tientallen tot duizenden euro's, met wettelijke rente en oplegging van schadevergoedingsmaatregelen. De rechtbank verlengde tevens de proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf met één jaar.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 20 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en diverse schadevergoedingen toegewezen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/016974-26, 09/345835-25, 09/335976-25, 09/350457-25, 09/353768-25 (ttz. gev.) en 09/311658-25 (tul)
Datum uitspraak: 12 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 april 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.S. de Gram naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Parketnummer 09/016974-26 (hierna: dagvaarding I)
1
hij op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van omstreeks 12 december 2025 tot en met 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, een of meer elektrische fiets(en) en/of fatbike(s), althans enig goed, dat/die geheel of ten delen aan
- [aangever 1] (zaak [nummer 1] ) en/of
- [aangever 2] (zaak [nummer 2] ) en/of
- [aangever 3] (zaak [nummer 3] ) en/of
- [aangever 4] en/of [bedrijf 1] (zaak [nummer 4] )
- [aangever 5] (zaak [nummer 5] ) en/of
- [aangever 6] (zaak [nummer 6] ) en/of
- [aangever 7] (zaak [nummer 7] ) en/of
- [aangever 8] (zaak [nummer 8] ) en/of
- [aangever 9] (zaak [nummer 9] ) en/of
- [aangever 10] (zaak [nummer 10] ) en/of
- [aangever 11] (zaak [nummer 11] ) en/of
- [aangever 12] en/of [aangever 13] (zaak [nummer 12] )
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat/die weg te nemen elektrische fiets(en) en/of fatbike(s) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
2
hij op of omstreeks 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage, althans in Nederland, [aangever 14] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [aangever 14] dreigend de woorden toe te voegen "pas op, want ik steek je met een mes" en/of “ik steek je dood met een mes”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op of omstreeks 15 januari 2026 te Den Haag, althans in Nederland 1600 stuks, althans een (grote) hoeveelheid, petflessen en/of statiegeldflessen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan de Pathé Spuimarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 09/345835-25 (hierna: dagvaarding II)
hij op of omstreeks 18 november 2025 te 's-Gravenhage een fiets (fatbike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan mevrouw [aangever 15] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 09/335976-25 (hierna: dagvaarding III)
1
hij op of omstreeks 10 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 16] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te
brengen door middel van braak en/of verbreking, heeft geprobeerd het fietsslot door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 10 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 17] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking, heeft geprobeerd het fietsslot door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Parketnummer 09/350457-25 (hierna: dagvaarding IV)
hij op of omstreeks 24 december 2025 te 's-Gravenhage een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Parketnummer 09/353768-25 (hierna: dagvaarding V)
hij op of omstreeks 31 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een elektrische fiets (fatbike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven eigenaar, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen door met een slijptol het (vouw)slot in/door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van dagvaardingen I, II, IV en V
De rechtbank zal voor de feiten, met uitzondering van feit 2 op dagvaarding I en de feiten op dagvaarding III, met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze bewezen te verklaren feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van:
  • het proces-verbaal (hierna: PV 1) met het nummer PL1500-2026001682, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 150);
  • het proces-verbaal einddossier (hierna: PV 2) met het nummer PL1500-2026001682, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 131).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 16 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 1, p. 12-15);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 15 december 2025, voor zover inhoudende (PV 1, p. 70-72);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 16 december 2025, voor zover inhoudende (PV 1, p. 82-83);
5. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] mede namens het slachtoffer [bedrijf 1] , opgemaakt op 21 december 2025, voor zover inhoudende (PV 1, p. 93-95);
6. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 15 december 2025, voor zover inhoudende (PV 2, p. 14);
7. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 30 december 2025, voor zover inhoudende (PV 2, p. 32);
8. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7] , opgemaakt op 1 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 47);
9. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 8] , opgemaakt op 13 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 57);
10. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 9] , opgemaakt op 14 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 66);
11. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 10] , opgemaakt op 19 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 75);
12. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 28 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 77-81, bijlagen: p. 83-97);
13. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 11] , opgemaakt op 14 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 98);
14. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 12] , opgemaakt op 14 januari 2026, voor zover inhoudende (PV 2, p. 110).
Ten aanzien van feit 3:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 18] namens Pathé Spuimarkt, opgemaakt op 15 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 118).
Ten aanzien van dagvaarding II
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025409413, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 66).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 15] , opgemaakt op 19 november 2025, voor zover inhoudende (p. 17).
Ten aanzien van dagvaarding IV
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025434585, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 25).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2026;
2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 1] , opgemaakt op 24 december 2025, voor zover inhoudende (p. 5-6).
Ten aanzien van dagvaarding V
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025441885, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 34).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 april 2026;
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 31 december 2025, voor zover inhoudende (p. 14-15).
Ten aanzien van feit 2 op dagvaarding I en de feiten op dagvaarding III
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 2 en bij dagvaarding III tenlastegelegde.
Verdere standpunten van de officier van justitie komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding I onder 2 en bij dagvaarding III tenlastegelegde.
Verdere standpunten van de raadsman komen hierna aan de orde voor zover relevant voor enige te nemen beslissing.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
Ten aanzien van dagvaarding I feit 2
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026001682, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 150).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 14] , opgemaakt op 17 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 41-42):
Plaats delict: Bierstraat, ’s-Gravenhage
De aangever verklaarde:
Op 16 januari 2025 was ik in mijn bedrijfspand aan de [adres] . Daar zag ik een man langsfietsen op een fiets die ik herkende als zijnde van mijn collega. Deze fiets was gestolen. Ik ben samen met mijn zoon op zoek gegaan naar de fiets. Deze stond tegenover de HEMA gelegen aan de Voldersgracht. Ik zag dat er een man bij de fiets stond die ik herkende omdat hij meerdere fietsen van ons heeft gestolen. Ik herkende de man ook als zijnde die net langsgefietst was bij de [adres] . Hierop hebben wij de man aangesproken en de man antwoordde met: “Ik wil mijn spullen uit de fietsbak”. Ik antwoorde daarop dat hij alles moest laten staan en moest wachten op de gebelde politie. De man wilde wat pakken uit fietskratje. Ik stond daarvoor en gaf aan dat dit niet ging, de man antwoorde hierop: “Anders ga ik je met een mes steken!”. De man had daarbij een dreigende blik. Ik voelde me ernstig bedreigd en niet veilig. Hierom ben ik naar achter gestapt. Hierdoor kon de man ontkomen.
2. Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2] , opgemaakt op 16 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 36-37):
De getuige verklaarde:
Op 16 januari 2026 was ik werkzaam als manager van [bedrijf 2] B.V. Op dat moment was ik aanwezig op de locatie aan de [adres] . Rond 16:00 uur hoorde ik mijn vader, die tevens eigenaar van het bedrijf is, in gesprek zijn met [naam] via de telefoon. Ik hoorde mijn vader tegen [naam] zeggen dat hij een fiets had gezien die hij dacht dat van haar zou kunnen zijn. Vervolgens besloten mijn vader en ik de persoon op de fiets te achtervolgen. Uiteindelijk troffen we de man op de Voldersgracht aan, die op de fiets reed. Na het bellen naar de politie, hoorde ik dat mijn vader werd bedreigd door de persoon die op [naam] 's fiets reed. Ik hoorde de man zeggen dat hij mijn vader met een mes zou doodsteken.
3. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt op 16 januari 2026, voor zover inhoudende (p. 19-20):
Wij, verbalisanten, verklaren het volgende:
Op 16 januari 2026 reden wij in de Wagenstraat te 's-Gravenhage. Vanuit het Operationeel Centrum hoorden wij een melding van een diefstal fiets aan de [adres] . De vader van de melder liep achter de verdachte aan en op de Dunne Bierkade te 's-Gravenhage werden wij aangesproken door een man die de vader van de melder bleek te zijn. Hij wees in de richting van de verdachte en verderop zagen wij een man lopen. Ik, verbalisant [verbalisant 1] , hield de man staande op de Dunne Bierkade en vroeg om een identiteitsbewijs. Ik, verbalisant [verbalisant 2] , hoorde de melder zeggen dat collega [verbalisant 1] de juiste man staande had. De man kon zijn identiteitsbewijs niet tonen en gaf zijn burgerservicenummer op. In het politieprocessensysteem zag ik dit de volgende persoon betrof: [verdachte] , geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] in [geboorteland] .
Ten aanzien van dagvaarding III
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025417010, van de politie-eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 25).
De onderstaande bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen – worden gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens de inhoud betrekking heeft:
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 16] , opgemaakt op 10 december 2025, voor zover inhoudende (p. 5):
De aangever verklaarde:
Op 10 december 2025 omstreeks 00:20 had ik, [aangever 16] , mijn fiets geparkeerd in een fietsenrek op de Voldersgracht ter hoogte van de C&X. Ik was samen met een vriend van mij die een fatbike heeft. Deze vriend is genaamd:
- [aangever 17] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 -
Ik, [aangever 16] , had mijn fiets aan de voorzijde vastgezet middels een kettingslot. [aangever 17] had zijn kettingslot gebruikt om mijn fiets en zijn fatbike via de achterwielen op slot te zetten. Toen ik mijn fiets op slot had gezet, waren beide sloten volledig intact en onbeschadigd. Omstreeks 01:47 uur kwam ik, [aangever 16] , samen met mijn vriend [aangever 17] , terug bij onze fietsen. Ik zag dat het dikke kettingslot aan de achterzijde weg was. Ik zag dat mijn kettingslot aan de voorzijde gedeeltelijke was doorgeslepen. Omstreeks 01:50 uur zag ik dat de politie kwam. Ik hoorde van de politieagent dat iemand de kettingslot aan de achterzijde had doorgeslepen en dat degene was aangehouden.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 17] , opgemaakt op 10 december 2025, voor zover inhoudende (p. 12):
De aangever verklaarde:
Op 10 december 2025 omstreeks 00:20 had ik, [aangever 17] , mijn fatbike geparkeerd in een fietsenrek op de Voldersgracht ter hoogte van de C&X. Ik was samen met een vriend van mij die een fiets heeft. Deze vriend is genaamd:
- [aangever 16] , geboren op [geboortedatum 3] 2005 -
Ik, [aangever 17] , had een kettingslot gebruikt om mijn fatbike en de fiets van [aangever 16] via de achterwielen op slot te zetten. Toen ik mijn fatbike op slot had gezet, was het slot volledig intact en onbeschadigd. Omstreeks 01:47 uur kwam ik, [aangever 17] , samen met mijn vriend [aangever 16] , terug bij onze fietsen. Ik zag dat mijn dikke kettingslot aan de achterzijde weg was. Omstreeks 01:50 uur zag ik dat de politie kwam. Ik hoorde van de politieagent dat iemand de kettingslot aan de achterzijde had doorgeslepen en dat degene was aangehouden.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 december 2025, voor zover inhoudende (p. 8):
Ik, verbalisant, verklaar het volgende:
Op 10 december 2025, omstreeks 00.40 uur, zag ik via de camera's van Team Tactisch Toezicht,, dat op camera 8604, geplaatst op de Grote Markstraat en met uitzicht op de Voldersgracht, een grote vonkenregen in beeld was. Ik zag, dat deze vonkenregen afkomstig was vanaf de fietsenrekken die in het midden van de Voldersgracht staan. Op het moment dat ik het beeld beter bekeek zag ik dat een man bij de fietsen bezig was met iets dat leek op een slijptol. Ik zag, dat hij een bukkende beweging maakte tussen de fietsen, in de buurt van een dikke fiets, vermoedelijk een fatbike. Ik zag wederom een flinke vonkenregen opspatten en kreeg hierdoor direct het vermoeden dat de man bezig was het slot van de fatbike open te slijpen, ten einde deze weg te kunnen nemen. Ik riep direct over het portofoonkanaal van ons politiebureau, dat er eenheden die kant op moesten om de verdachte aan te houden. Ondertussen hield ik via de camera de verdachte in de gaten. Ik zag, dat deze, terwijl hij tussen de fietsen gebukt zat, zenuwachtig om zich heen keek en kennelijk scherp oplette of niemand hem zou zien terwijl hij bezig was met slijpen. Ik dirigeerde de eenheden van politie, via het portofoonkanaal, naar de juiste locatie en zag via de camera dat een surveillance-eenheid direct naast de verdachte stopte. Ik zag, dat de verdachte opsprong vanuit zijn gebukte positie en direct wegrende in de richting van het Rabbijn Maarsenplein. Ik zag dat, na een korte achtervolging door de collega's, de verdachte op het Rabbijn Maarsenplein werd ingehaald en kon worden aangehouden.
4. Het proces-verbaal van aanhouding verdachte [verdachte] , opgemaakt op 10 december 2025, voor zover inhoudende (p. 15-16):
Wij, verbalisanten, verklaar het volgende:
Op 10 december 2025 waren wij, verbalisanten, in politie-uniform gekleed en reden over de Lutherse Burgwal te Den Haag, toen wij over de portofoon de operationeel commandant om 00.42 uur hoorden zeggen dat hij op camerabeelden zag dat op de Voldersgracht mogelijk een fiets werd weggenomen met gebruik van een slijptol. Hierop reden wij naar de Voldersgracht toe. Op de Voldersgracht aangekomen zag ik, verbalisant, in het midden van de fietsenrekken een vuurvonk komen. Ik zag dat deze vuurvonk direct stopte. Toen ik aan de andere zijde van de locatie van de vuurvonk stopte, zag ik één man gehurkt tussen twee fietsen schuilen. Ik zag dat de man opstond toen wij uit ons dienstvoertuig stapten.
Hierop riep ik, verbalisant, dat de verdachte was aangehouden, waarna wij zagen dat hij wegrende in de richting van het Rabbijn Maarsenplein. Ik zag dat de man tijdens het rennen één slijptol vasthad. Hierop riep ik, verbalisant, luidkeels dat de verdachte moest stoppen met rennen of dat ik anders het stroomstootwapen zou gebruiken. Ik zag dat de verdachte bleef rennen en geen gehoor gaf.
Op het Rabbijn Maarsenplein wist ik de verdachte in te halen, waarna ik de verdachte op zijn onderbeen schopte en hem naar de grond begeleidde. Hierop deelde ik de verdachte te 00.45 uur wederom mede dat hij was aangehouden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
Ten aanzien van dagvaarding I feit 2
Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat de aangever verdachte op 16 januari 2026 in Den Haag heeft aangesproken, nadat de verdachte een fiets had gestolen. Volgens de aangever heeft de verdachte hem op dat moment bedreigd, waardoor de verdachte kon ontkomen. De verdachte heeft stellig ontkend dat hij de aangever heeft bedreigd, volgens hem heeft hij slechts “laat me los” gezegd.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever heeft bedreigd en overweegt daartoe als volgt.
De aangever heeft kort na het incident, op 16 en 17 januari 2026, verklaringen afgelegd bij de politie. Op beide momenten heeft hij verklaard dat de verdachte hem heeft bedreigd door te zeggen dat hij de aangever zou steken met een mes. De raadsman heeft aangevoerd dat de verklaring van de aangever niet betrouwbaar is. De verklaring is volgens de raadsman immers niet eenduidig, omdat de aangever in eerste instantie heeft verklaard dat de verdachte tegen hem zei: “pas op want ik steek je met een mes" en hij de volgende dag heeft verklaard dat de bedreiging bestond uit de woorden: “anders ga ik je met een mes steken!”. Hoewel de verklaringen van de aangever niet volkomen hetzelfde zijn, is de rechtbank van oordeel dat zijn verklaring in de kern gelijkluidend is, namelijk dat gezegd is dat hij met een mes zou worden gestoken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verschil in de verklaringen geen invloed heeft op de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangever.
De rechtbank overweegt verder dat de verklaring van de aangever steun vindt in de verklaring van zijn zoon, die getuige was van het incident. De getuige heeft de verdachte horen zeggen dat hij zijn vader zou doodsteken met een mes. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaringen van de aangever en de getuige en zal dan ook van de juistheid van die verklaringen uitgaan. De enkele omstandigheid dat de getuige de zoon van de aangever is en de stellige ontkenning van de verdachte leggen onvoldoende gewicht in de schaal om de verklaringen te weerleggen. Daarbij neemt de rechtbank de context van de situatie, waarbij de aangever beoogde de verdachte na een fietsendiefstal aan de politie te doen overleveren, in aanmerking.
Ten aanzien van dagvaarding III
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte op 10 december 2025 in Den Haag de kettingsloten van een fiets en een fatbike (deels) heeft doorgeslepen met een slijptol. Uit de aangiftes volgt dat de fiets van [aangever 16] (hierna: [aangever 16] ) en de fatbike van [aangever 17] (hierna: [aangever 17] ) via hun achterwielen aan elkaar vast stonden met een kettingslot. De fiets van [aangever 16] was ook nog vastgezet door middel van een kettingslot door zijn voorwiel.
De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot diefstal van de fiets van [aangever 16] wettig en overtuigend bewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een poging tot diefstal van de fiets van [aangever 16] , omdat het voornemen van de verdachte om de fiets te stelen zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Uit de aangifte van [aangever 16] volgt immers dat het kettingslot waarmee hij alleen zijn eigen fiets had vastgezet, deels was doorgeslepen. Het doorslijpen van een kettingslot van een fiets moet naar het oordeel van de rechtbank naar zijn uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als te zijn gericht op de voltooiing van het door de verdachte voorgenomen misdrijf om de fiets met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen. Anders dan de raadsman heeft betoogd was het oogmerk dus ook gericht op een poging tot diefstal van de fiets van [aangever 16] .
De rechtbank acht de tenlastegelegde poging tot diefstal van de fatbike van [aangever 17] ook wettig en overtuigend bewezen en overweegt daartoe als volgt. Hoewel het kettingslot van [aangever 17] volledig was doorgeslepen door de verdachte, is de rechtbank – anders dan de raadsman heeft bepleit – van oordeel dat (nog) geen sprake was van een voltooide diefstal van de fatbike. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte, terwijl hij zijn slijptol aan het gebruiken was bij het kettingslot van de fatbike van [aangever 17] , is betrapt door de politie en vervolgens is weggerend. Door op een dergelijke wijze te handelen was geen sprake van een voltooide diefstal, omdat de verdachte de fatbike niet zodanig aan de feitelijke heerschappij van de rechthebbende – [aangever 17] – had onttrokken, dat de wegneming van de fatbike als voltooid kan gelden. Gelet op de voornoemde omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een poging tot diefstal van de fatbike van [aangever 17] .
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1
hij op meerdere tijdstippen in de periode van omstreeks 12 december 2025 tot en met 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage, (elektrische) fietsen en fatbikes, die geheel of ten dele aan
- [aangever 1] (zaak [nummer 1] ) en
- [aangever 2] (zaak [nummer 2] ) en
- [aangever 3] (zaak [nummer 3] ) en
- [aangever 4] en/of [bedrijf 1] (zaak [nummer 4] )
- [aangever 5] (zaak [nummer 5] ) en
- [aangever 6] (zaak [nummer 6] ) en
- [aangever 7] (zaak [nummer 7] ) en
- [aangever 8] (zaak [nummer 8] ) en
- [aangever 9] (zaak [nummer 9] ) en
- [aangever 10] (zaak [nummer 10] ) en
- [aangever 11] (zaak [nummer 11] ) en
- [aangever 12] en/of [aangever 13] (zaak [nummer 12] )
toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen (elektrische) fietsen en/of fatbikes onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
2
hij op 16 januari 2026 te ’s-Gravenhage, [aangever 14] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [aangever 14] dreigend de woorden toe te voegen "pas op, want ik steek je met een mes" en/of “ik steek je dood met een mes”, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;
3
hij op 15 januari 2026 te Den Haag, een grote hoeveelheid petflessen, die geheel of ten dele aan de Pathé Spuimarkt, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding II
hij op 18 november 2025 te 's-Gravenhage een fiets (fatbike), die geheel of ten dele aan [aangever 15] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding III
1
hij op 10 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een fiets, die geheel of ten dele aan [aangever 16] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking, heeft geprobeerd het fietsslot door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op 10 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een fiets, die geheel of ten dele aan [aangever 17] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder zijn bereik te brengen door middel van verbreking, heeft geprobeerd het fietsslot door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Dagvaarding IV
hij op 24 december 2025 te 's-Gravenhage een fatbike, die geheel of ten dele aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Dagvaarding V
hij op 31 december 2025 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om een elektrische fiets (fatbike), die geheel of ten dele aan een onbekend gebleven eigenaar, toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen door met een slijptol het (vouw)slot in/door te slijpen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht aan de verdachte een taakstraf op te leggen en zich ten aanzien van de hoogte daarvan gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om ten hoogste een gevangenisstraf conform de duur van het voorarrest op te leggen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich gedurende een periode van twee maanden schuldig gemaakt aan veertien diefstallen van (elektrische) fietsen en drie pogingen daartoe. De verdachte richtte zich voornamelijk op fietsen met een hoge(re) waarde, zoals fatbikes of andere elektrische fietsen, om ze door te kunnen verkopen. De diefstallen vonden plaats op een brutale manier, waarbij de verdachte, op klaarlichte dag of in een bewaakte fietsenstalling, met een slijptol kettingsloten doorsleep. De rechtbank kent in de weging van de ernst van de gedragingen van de verdachte in het bijzonder betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte meerdere keren fietsen heeft gestolen bij scholen, waardoor meerdere kinderen slachtoffer zijn geworden van zijn handelen.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van een persoon die hem betrapte op een fietsendiefstal. Het slachtoffer heeft zich daardoor ernstig bedreigd en onveilig gevoeld.
Daarnaast heeft de verdachte een grote hoeveelheid petflessen van de Pathé Spuimarkt gestolen. De verdachte is het pand binnengedrongen en is onbeschaamd, gedurende een kwartier, drie keer heen en weer gelopen om telkens meer zakken met petflessen te halen.
De verdachte heeft met zijn handelen getoond geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van een ander en heeft veel schade en overlast veroorzaakt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 maart 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij meermaals is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat de onderhavige feiten zijn gepleegd tijdens een lopende proeftijd.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 2 april 2026, waaruit volgt dat sprake is van problematiek op vrijwel alle leefgebieden en van een hoog risico op recidive en een hoog risico op het onttrekken aan voorwaarden. De verdachte heeft onder andere geen huisvesting, geen identiteitsbewijs om zich ergens in te schrijven en geen dagbesteding. Daarnaast is sprake van problematisch middelengebruik, een licht verstandelijke beperking en een beperkt familiair netwerk. Eerdere reclasseringstrajecten zijn mislukt, omdat de verdachte zorgmijdend kan zijn en het liefst zijn eigen gang gaat zonder tussenkomst van anderen. De reclassering concludeert dat toezicht gewenst is gezien de hoge risico’s, maar dat het niet zinvol is om in de onderhavige zaak bijzondere voorwaarden op te leggen, omdat sprake is van een lopend reclasseringstoezicht sinds december 2025. De reclassering adviseert daarom om aan de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen.
De straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt vermeld voor de diefstal van één elektrische fiets, bij veelvuldige recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan, in het bijzonder gelet op de brutaliteit van de bewezenverklaarde feiten, de waarde van de gestolen fietsen en voornoemde oriëntatiepunten, niet worden volstaan met een lichtere of andere sanctie – zoals een taakstraf – dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
Alles afwegende wijkt de rechtbank af van de eis van de officier van justitie en acht zij een gevangenisstraf voor de duur van twintig maanden passend en geboden. De rechtbank zal een deel van die straf, te weten zes maanden, voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van twee jaren om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 6] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 453,90, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade. Daarnaast heeft de benadeelde partij proceskosten ter hoogte van € 75,- gevorderd.
[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 700,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 3.905,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 905,- aan materiële schade en € 3.000,- aan immateriële schade.
[aangever 9] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 808,99, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 12] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.662,94, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.412,94 aan materiële schade en € 250,- aan immateriële schade.
[aangever 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 1.035,39, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 20,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 15] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 552,19, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot:
  • gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 6] ;
  • gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] tot een bedrag van € 500,- en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige van de vordering;
  • niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij [aangever 2] wegens een gebrek aan onderbouwing;
  • gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 9] ;
  • toewijzing van de materiële schade van de vordering van de benadeelde partij [aangever 12] en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor de immateriële schade;
  • gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] ;
  • gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 1] , zonder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;
  • gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [aangever 15] .
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen
[aangever 9] en [aangever 1] gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Verder heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat:
  • de door benadeelde partij [aangever 6] gevorderde proceskosten dienen te worden afgewezen;
  • de benadeelde partij [aangever 3] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu de bijgevoegde factuur niet op naam van de benadeelde partij staat;
  • de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard wegens een gebrek aan onderbouwing van de gestelde schade;
  • de benadeelde partij [aangever 7] , voor zover de vordering ziet op de kosten voor het openbaar vervoer, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat deze kosten zijn gemaakt door een ander dan de benadeelde partij;
  • de benadeelde partij [aangever 15] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu onduidelijk is of het gevorderde eigen risico is inbegrepen in de gevorderde post ‘aanschaf nieuwe fiets’ van € 259,95.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De vordering van de benadeelde partij [aangever 6] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met onder meer een factuur en een offerte voor reparatiekosten van zijn fatbike. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering ter hoogte van € 453,90 in zijn geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 29 december 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde proceskosten ter hoogte van € 75,-, zal worden afgewezen nu niet is gebleken dat de benadeelde partij proceskosten heeft gemaakt.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 453,90, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 6] .
De vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 500,-. De vordering is ten aanzien van dat bedrag door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een factuur. Dat de factuur op een andere naam staat, zoals door de raadsman is aangevoerd, maakt dat oordeel niet anders.
De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige afwijzen, omdat uit de onderbouwing van de vordering niet is gebleken dat de meer gevorderde schade is geleden.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 december 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3] .
De vordering van de benadeelde partij [aangever 2] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gestelde materiële schade, afwijzen. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij niet onderbouwd.
Immateriële schade
Voor toewijzing van immateriële schadevergoeding moet op grond van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek– voor zover hier relevant – sprake zijn van een aantasting in de persoon van benadeelden op andere wijze, veroorzaakt door het bewezenverklaarde gedrag van de verdachte.
Van de bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen (vlg. ECLI:NL:HR:2019:793).
Uit de toelichting op de vordering volgt dat de benadeelde partij door de diefstal van zijn fatbike moeite had met zich te verplaatsen naar school, werk en de sportschool. Hij heeft een ‘gewone’ fiets moeten kopen en dit fietst zwaar, vooral omdat hij gewend was aan het rijden op een elektrische fiets. Verder heeft de benadeelde partij zich op het standpunt gesteld dat de diefstal van zijn fatbike hem een ‘psychologische schok’ heeft bezorgd.
Gelet op voornoemd juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Zo is het gestelde geestelijk letsel niet onderbouwd en doet zich bij een fietsendiefstal (een vermogensdelict), in beginsel geen situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan al volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is, terwijl geen omstandigheden zijn gesteld en gebleken waarom dat in dit geval anders is. Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 9] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met de aankoopfactuur. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering ter hoogte van € 808,99 in zijn geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 13 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 808,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 9] .
De vordering van de benadeelde partij [aangever 12] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘fatbike’ ter hoogte van
€ 1.278,99, is door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met de aankoopfactuur en een betalingsbewijs. Dat de factuur op een andere naam staat, zoals door de raadsman is aangevoerd, maakt dat oordeel niet anders. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘OV voor drie maanden’ afwijzen, omdat deze post door de benadeelde partij niet nader is onderbouwd.
De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘slot’ afwijzen.
De gestelde schade is weliswaar geleden door de bewezenverklaarde fietsendiefstal, maar die schade kan redelijkerwijs niet aan de verdachte worden toegerekend, omdat de benadeelde naar het oordeel van de rechtbank niet heeft voldaan aan de schadebeperkingsplicht. Uit het dossier volgt immers dat de benadeelde partij haar fiets voor de diefstal niet op slot heeft gezet.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 1.278,99.
Immateriële schade
Uit de toelichting op de vordering volgt dat de zoon van de benadeelde partij door de diefstal van zijn fatbike niet goed kon slapen. Hij denkt er veel aan en kan zich daardoor niet goed focussen op school, wat een negatieve invloed heeft op zijn cijfers.
Gezien voornoemd juridisch kader is hetgeen de benadeelde partij heeft gesteld ontoereikend om te kunnen spreken van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Zo is het gestelde geestelijk letsel niet onderbouwd en doet zich bij een fietsendiefstal (een vermogensdelict), in beginsel niet een situatie voor waarin uit de aard en de ernst van de normaantasting en de gevolgen daarvan al volgt dat van een aantasting ‘op andere wijze’ sprake is, terwijl geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waarom dat in dit geval anders is. Dat betekent dat er in deze zaak voor toewijzing van hetgeen is gevorderd geen wettelijke grondslag is. De vordering zal dan ook worden afgewezen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.278,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 12] .
De vordering van de benadeelde partij [aangever 7] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘fiets tweedehands gekocht’ en ‘OV-transport om vervangende fiets te halen’, zijn door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een factuur van de fiets en een declaratieoverzicht van OV-chipkaart. Dat het declaratieoverzicht op een andere naam staat, zoals door de raadsman is aangevoerd, maakt dat oordeel niet anders, nu de benadeelde in de toelichting op haar vordering heeft vermeld dat haar man de vervangende fiets heeft opgehaald. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering ter hoogte van € 1.035,39 in zijn geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 14 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 1.035,39, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 7] .
De vordering van de benadeelde partij [aangever 1] (dagvaarding I feit 1)
Materiële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter grootte van € 20,-.
De vordering is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering ter hoogte van € 20,- in zijn geheel toewijzen.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 16 januari 2026, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank zal de door de benadeelde partij gevorderde schadevergoedingsmaatregel, gelet op de hoogte van de toegewezen schade, niet aan de verdachte opleggen.
De vordering van de benadeelde partij [aangever 15] (dagvaarding II)
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘aanschaf nieuwe fiets’, ‘extra slot 1’, ‘extra slot 2’ en ‘abonnement Loqater’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd met een factuur en een betalingsbewijs. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 1 bewezenverklaarde feit, ter hoogte van € 424,84.
De rechtbank zal de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de post ‘eigen risico verzekering’ afwijzen, nu onduidelijk is of dit bedrag al is inbegrepen in de post ‘aanschaf nieuwe fiets’.
De rechtbank zal – gelet op het voorgaande – de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 424,84.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 november 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor dit bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 424,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 15] .

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vordering van 20 maart 2026 gevorderd dat de bij parketnummer 09/311658-25 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op
3 december 2025 voorwaardelijke opgelegde gevangenisstraf van 27 dagen, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie gevorderd dat de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, maar dat de proeftijd wordt verlengd.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich niet uitgelaten over de vordering tot tenuitvoerlegging.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank op
3 december 2025, gewezen onder parketnummer 09/311658-25, voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf verlengen met één jaar.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen: 36f, 45, 57, 63, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte alle bij dagvaardingen I, II, III, IV en V ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
diefstal en/of diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, meermalen gepleegd;
ten aanzien van feit 2:
bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;
ten aanzien van feit 3:
diefstal;
dagvaarding II
diefstal;
dagvaarding III
ten aanzien van feiten 1 en 2:
poging tot diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
dagvaarding IV
diefstal;
dagvaarding V
poging tot diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
20 (TWINTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot
6 (ZES) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 6] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 453,90 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 29 december 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 6] ;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, tot op heden begroot op nihil;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 453,90, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 6] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 3] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 december 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 16 december 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 3] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 2] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij af;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 9] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 808,99 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 9] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 808,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 13 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 9] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 12] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 1.278,99 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 12] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 1.278,99, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 12] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 12 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 7] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 1.035,39 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 7] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van
€ 1.035,39, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 januari 2026 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 7] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 10 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel [aangever 1] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van
€ 20,- en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 16 januari 2026 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 1] ;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 15]
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 424,84 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 15] ;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij voor het overige af;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 424,84, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 18 november 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald
,ten behoeve van [aangever 15] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank d.d. 3 december 2025, gewezen onder parketnummer 09/311658-25, opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 27 dagen, met één jaar.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. P. van Essen, rechter,
mr. C.A.W. Zijlstra, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R. Claessens, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 mei 2026.