ECLI:NL:RBDHA:2026:13757
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland
Eiser diende op 9 december 2025 een asielaanvraag in bij de Nederlandse minister van Asiel en Migratie. De minister nam de aanvraag op 30 maart 2026 niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.
Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat overdracht aan Zwitserland zou leiden tot indirect refoulement, omdat Zwitserland hem mogelijk naar Eritrea zou terugsturen. De rechtbank stelde vast dat zij niet mag toetsen of er een risico op indirect refoulement bestaat in de verantwoordelijke lidstaat, tenzij sprake is van systeemfouten in de asielprocedure.
De rechtbank concludeerde dat de minister terecht uitging van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat er geen aanwijzingen waren voor systeemfouten in Zwitserland. Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en kreeg eiser geen proceskostenvergoeding.
De uitspraak werd gedaan door rechter J.M. Emaus en griffier I.S. Pruijn op 26 mei 2026. Partijen konden binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard omdat Zwitserland verantwoordelijk is en er geen systeemfouten zijn.