ECLI:NL:RBDHA:2026:13749

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.16337
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
  • K.C.L.J. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet-in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser heeft een asielaanvraag ingediend die door de minister van Asiel en Migratie niet in behandeling is genomen omdat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit.

Tijdens de zitting op 19 mei 2026 was eiser niet aanwezig en bleek dat hij sinds 7 april 2026 met onbekende bestemming was vertrokken en geen contact meer had met zijn gemachtigde. De rechtbank stelde vast dat eiser geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, mede omdat hij niet reageerde op berichten over de zitting en zijn verblijfplaats onbekend is.

De rechtbank volgde het standpunt van de minister dat eiser geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij de proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer onderhoudt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.16337
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 mei 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. D. van Elp),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J.D. Albarda).

Procesverloop

1. Bij besluit van 23 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Finland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met de zaak NL26.16338, op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.3.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank op 19 mei 2026 uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

2. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Finland een verzoek om overname gedaan. Finland heeft dit verzoek aanvaard.
3. De rechtbank ziet zich allereerst ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij het beroep.
4. De minister heeft de rechtbank op 14 april 2026 bericht dat eiser op 7 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken.
5. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State volgt dat wanneer een vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit kan worden gegaan dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland. Dat is anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde heeft. [1]
6. De rechtbank heeft gelet hierop op 8 mei 2026 een bericht in het dossier geplaatst met de vraag of de gemachtigde van eiser op dit moment nog contact heeft met hem.
7. De gemachtigde van eiser heeft desgevraagd meegedeeld dat zij momenteel geen contact heeft met eiser. Het laatste contact dateert volgens haar van eind maart / begin april 2026. Volgens de gemachtigde heeft eiser eerder de wens geuit om door te procederen en was hij ook bekend met het ingestelde beroep en de gronden daarvan. Eiser heeft echter niet meer gereageerd op de e-mail van gemachtigde over de behandeling van de zaak op zitting.
8. Eiser is niet verschenen. Omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken en nadien geen contact meer heeft onderhouden met zijn gemachtigde, hij niet heeft gereageerd op berichten over de zitting en bovendien zijn actuele verblijfplaats onbekend is, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Desgevraagd heeft de gemachtigde van de minister op zitting verklaard ook niet te weten waar eiser thans verblijft en zich op het standpunt gesteld dat eiser geen rechtens te beschermen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. De gemachtigde van de minister kan in dit betoog worden gevolgd. Dat eiser in een eerdere fase heeft aangegeven te willen doorprocederen, doet daar niet aan af. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
9. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van Y.J.L. Murk, griffier, op 19 mei 2026.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 1 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2662.