Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13748

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
27 mei 2026
Zaaknummer
NL26.26164
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 64 Vw 2000Art. 96 lid 3 Vw 2000Paragraaf A4/7.4.3. Vc 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding

Eiser is sinds 9 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 7 april 2026 bevestigd en beoordeelt nu alleen het voortduren daarna.

Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de behandeling van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn geworden. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag in behandeling heeft genomen, een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft ingewonnen en dat vertraging mede is veroorzaakt door het intrekken en heropenen van de aanvraag door eiser zelf. De aanvraagprocedure staat los van de bewaring en het uitblijven van een beslissing leidt niet tot onrechtmatigheid.

Verder is vastgesteld dat er zicht op uitzetting bestaat, mede doordat sinds 8 april 2026 een staakt-het-vuren geldt en commerciële vluchten beperkt mogelijk zijn. Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast vanwege zijn medische situatie en onzekerheid, maar de rechtbank vond de bewaring niet onredelijk bezwarend en dat medische voorzieningen beschikbaar zijn.

De rechtbank concludeert dat de minister aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voldoet en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26164

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2026

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

De minister heeft op 9 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep is beslist bij uitspraak van 27 januari 2026. [1] Op het eerste vervolgberoep is beslist bij uitspraak van 10 april 2026. [2]
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser en de minister zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

Overwegingen

Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 10 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom beoordeelt de rechtbank nu alleen of het voortduren van de maatregel van bewaring sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 7 april 2026) rechtmatig is.
Voortvarendheid
3. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. Eiser heeft op 23 januari 2026 een aanvraag voor uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van Pro de Vw 2000 ingediend. De minister heeft hierop nog niet beslist, maar de beslistermijn is al wel verstreken (op 18 april 2026). Dit klemt, nu in het beleid [3] staat dat de minister een aanvraag voor uitstel van vertrek met voorrang behandelt als die is ingediend tijdens de inbewaringstelling. Eiser meent dat de maatregel van bewaring daarom vanaf 18 april 2026 onrechtmatig is geworden, zodat de bewaring moet worden opgeheven.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet. Dat licht de rechtbank als volgt toe.
4.1.
Uit de voortgangsrapportage kan worden opgemaakt dat het BMA [4] een advies heeft uitgebracht in de procedure over eisers aanvraag voor uitstel van vertrek. De minister heeft dit advies op 10 februari 2026 aan eiser verstuurd. Eiser heeft zijn aanvraag vervolgens op 3 maart 2026 ingetrokken onder de voorwaarde dat zijn uitzetting overeenkomstig het advies van BMA wordt uitgevoerd. Daarna heeft gemachtigde van eiser op 9 maart 2026 alsnog schriftelijk op het BMA-advies gereageerd. Op 11 maart 2026 heeft eiser bericht dat hij de intrekking van zijn aanvraag ongedaan wil maken en dat hij alsnog een beslissing op zijn aanvraag wil.
4.2.
Hoewel de periode van vóór 7 april 2026 bij de beoordeling van het huidige vervolgberoep niet voorligt, acht de rechtbank de gang van zaken rondom de behandeling van eisers aanvraag voor uitstel van vertrek in die periode wel van belang bij de beoordeling van de beroepsgrond.
4.3.
Uit de informatie in de voortgangsrapportage, die door eiser niet is bestreden, blijkt dat de minister de aanvraag in behandeling heeft genomen en dat op relatief korte termijn een BMA-advies is opgesteld. Eiser zelf heeft - terwijl hij op dat moment reeds in bewaring zat - vervolgens een kleine maand nodig gehad om op dit advies te reageren. Zonder reactie van eiser kon de minister nog niet beslissen op de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek. Bovendien heeft hij tussentijds zijn aanvraag (tijdelijk) ingetrokken, waarbij eiser heeft aangegeven dat hij kan instemmen met de voorwaarden die het BMA heeft gesteld voor zijn uitzetting. Aannemelijk is dat deze tijdelijke intrekking van de aanvraag ook tot vertraging heeft geleid. Op dit moment is de beslissing nog niet genomen. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat die beslissing in concept gereed is en naar verwachting binnen een paar dagen kan worden afgegeven.
4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de duur van de behandeling van eisers aanvraag voor uitstel van vertrek meebrengt dat de minister daardoor in de bewaringsprocedure onnodig stil heeft gezeten. In de bewaringsprocedure gaat het om de vraag of de minister voldoende voortvarend handelt bij het voorbereiden van de uitzetting als zodanig. De aanvraag om uitstel van vertrek is een afzonderlijke procedure en staat los van de inbewaringstelling. Daarbij overweegt de rechtbank dat de Iraakse autoriteiten eerder een laissez-passer (lp) hebben afgegeven voor eiser. In zoverre zijn alle op dit moment mogelijke en noodzakelijke uitzettingshandelingen voor eisers uitzetting naar Irak al verricht. Mocht het zo zijn dat de geldigheid van de lp is verstreken op het moment dat afwijzend wordt beslist op eisers aanvraag, dan ligt het in de lijn der verwachting dat relatief snel een nieuwe lp kan worden verstrekt.
4.4.1.
Vraag is veeleer of het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van eiser om uitstel van vertrek er toe moet leiden dat de afweging van belangen bij het voortduren van de bewaring in het voordeel van eiser dient uit te vallen. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Gelet op het verloop van de artikel 64-procedure en de huidige stand van zaken, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister aan het belang van eiser bij de opheffing van de bewaring een zwaarder gewicht had moeten toekennen. Eisers stelling dat de beslistermijn is verstreken voor de aanvraag voor uitstel van vertrek, leidt niet tot een ander oordeel. Zoals hiervoor reeds is opgemerkt, betreft dit een aparte procedure die losstaat van eisers inbewaringstelling. Dat en of de beslistermijn is verstreken, maakt de bewaring dus niet onrechtmatig.
Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat ook niet duidelijk is of zicht op uitzetting bestaat. Als duidelijk is dat eisers aanvraag voor uitstel van vertrek wordt ingewilligd, kan hij namelijk ook niet worden uitgezet.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het is juist dat eiser niet wordt uitgezet als zijn aanvraag wordt ingewilligd, maar dit betekent niet dat zicht op uitzetting ontbreekt. Het is immers nog niet duidelijk of eisers aanvraag wordt ingewilligd. De aanvraag zelf levert ook geen rechtmatig verblijf op. Bovendien wordt de bewaring opgeheven als eisers aanvraag wordt ingewilligd. [5] In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank dus geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting ontbreekt.
7. Eiser voert verder aan dat ook onduidelijk is of zicht op uitzetting bestaat omdat hij moet terugkeren naar Irak. Als gevolg van de oorlog tussen de Verenigde Staten en Iran was het luchtruim lange tijd gesloten en het is eiser niet duidelijk is hoe de situatie nu is. Tijdens de behandeling van het eerste vervolgberoep is nog overwogen dat het mogelijk gaat om een tijdelijke reisbeperking, maar de vraag is of daarvan nog steeds kan worden gesproken.
8. De minister heeft tijdens de zitting toegelicht dat vanaf 8 april 2026 een staakt-het-vuren van kracht is en dat vanaf dat moment commerciële vluchten beperkt mogelijk zijn. Gelet hierop oordeelt de rechtbank dat zicht op uitzetting naar Irak op dit moment niet ontbreekt.
Lichter middel
9. Eiser voert aan dat de minister moet volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. De bewaring valt eiser zwaar en hij is ook veel afgevallen. Hij verblijft sinds 9 januari 2026 in bewaring en vindt het lastig dat hij niet weet waar hij aan toe is. Eiser wil vooral graag een medische behandeling krijgen, en ook meewerken aan zijn vertrek naar Irak als de medische behandeling daar voorhanden is en geregeld kan worden. Ook is eiser bang dat de bewaring langer duurt omdat voor zijn uitzetting bepaalde reisvoorwaarden gelden, en deze de uitzettingsprocedure kunnen vertragen. Gelet op dit alles meent eiser dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister hoeft niet te volstaan met een lichter middel. De rechtbank begrijpt dat de bewaring eiser zwaar valt, maar dat betekent niet dat de bewaring onredelijk bezwarend is. Eiser kan zich zo nodig ook wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Gesteld, noch gebleken is dat dat medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zijn. Verder staat in de uitspraak van 10 april 2026 op het eerste vervolgberoep, dat de minister heeft toegelicht dat de reisvoorwaarden zoals deze volgen uit het BMA-advies wel binnen een redelijke termijn gerealiseerd kunnen worden. De rechtbank overwoog vervolgens dat niet is gebleken dat op voorhand kan worden geconcludeerd dat niet aan deze voorwaarden kan worden voldaan of dat de minister hierin zal tekortschieten. De rechtbank ziet in deze voorliggende procedure geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft zijn stelling ook niet verder onderbouwd of concreet gemaakt.
Ambtshalve toets
11. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. L.G.C. Lelifeld, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 27 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1250.
2.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 10 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:8614.
3.Paragraaf A4/7.4.3. van de Vc 2000.
4.Bureau Medische Advisering.
5.Paragraaf A4/7.4.3. van de Vc 2000.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022,