ECLI:NL:RBDHA:2026:13748
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring en afwijzing schadevergoeding
Eiser is sinds 9 januari 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 7 april 2026 bevestigd en beoordeelt nu alleen het voortduren daarna.
Eiser stelde dat de minister onvoldoende voortvarend handelde bij de behandeling van zijn aanvraag voor uitstel van vertrek, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn geworden. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag in behandeling heeft genomen, een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft ingewonnen en dat vertraging mede is veroorzaakt door het intrekken en heropenen van de aanvraag door eiser zelf. De aanvraagprocedure staat los van de bewaring en het uitblijven van een beslissing leidt niet tot onrechtmatigheid.
Verder is vastgesteld dat er zicht op uitzetting bestaat, mede doordat sinds 8 april 2026 een staakt-het-vuren geldt en commerciële vluchten beperkt mogelijk zijn. Eiser voerde aan dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast vanwege zijn medische situatie en onzekerheid, maar de rechtbank vond de bewaring niet onredelijk bezwarend en dat medische voorzieningen beschikbaar zijn.
De rechtbank concludeert dat de minister aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voldoet en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.