ECLI:NL:RBDHA:2026:1250

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.2084
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een vreemdeling en de gronden voor detentie in het bestuursrecht

Op 27 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak over de maatregel van bewaring die de minister van Asiel en Migratie aan eiser heeft opgelegd. Eiser, die in strafrechtelijke detentie was geplaatst vanwege een reeks vernielingen, is op 9 januari 2026 in bewaring gesteld. De rechtbank heeft beoordeeld of de minister de maatregel van bewaring terecht heeft opgelegd en of er voldoende voortvarendheid is getoond in de uitzettingsprocedure. De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat eiser detentiegeschikt is. Eiser heeft verschillende beroepsgronden aangevoerd, waaronder de stelling dat hij detentieongeschikt is vanwege psychische klachten. De rechtbank oordeelt echter dat er geen aanwijzingen zijn dat eiser detentieongeschikt is en dat de psychische zorg in het Detentiecentrum Rotterdam voldoende is. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat het terugkeerbesluit kan worden uitgevoerd, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot een risicogroep voor schending van artikel 3 van het EVRM. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2084

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N. den Ouden),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.P. Gaal-de Groot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht de maatregel van bewaring aan eiser heeft opgelegd. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser en mag er vanuit gaan dat eiser detentiegeschikt is. Ook is er op dit moment geen reden aan te nemen dat het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit niet uitvoerbaar is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Bij besluit van 9 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
2.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

3. Eiser was voorafgaand aan de inbewaringstelling in strafrechtelijke detentie geplaatst vanwege een aanzienlijke reeks vernielingen, gepleegd op één dag. Hiervoor is hij veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden. [1] Hij is vanuit strafrechtelijke detentie op 16 oktober 2025 overgeplaatst naar het Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht (CTP Veldzicht) vanwege psychotische klachten. Op 23 november 2025 heeft een psychiater van het CTP Veldzicht verzocht om dwangbehandeling van eiser en is een behandelplan opgesteld. Op 1 december 2025 is besloten om eiser met ingang van 4 december 2025 dwangmedicatie toe te dienen. Op 9 januari 2026 is de detentie geëindigd en is eiser aansluitend overgenomen door de AVIM.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid.
4.1.
Eiser heeft zware grond 3e betwist. Hij erkent dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt toen hij Nederland binnenkwam. Op 10 augustus 2018 heeft hij echter een echt bevonden identiteitskaart uit Irak overhandigd. Sindsdien verstrekt hij de juiste gegevens over zijn identiteit. Eiser doet dit inmiddels al voor een lange tijd. Deze grond kan hem daarom niet langer worden tegengeworpen.
4.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn zware gronden 3a en 3b feitelijk juist. Zware grond 3a is feitelijk juist, omdat eiser bij zijn eerste asielaanvraag in Nederland op 26 mei 2003 geen geldig grensoverschrijdingsdocument heeft overgelegd. Hiermee heeft hij niet aannemelijk kunnen maken dat hij Nederland op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Verder is zware grond 3b feitelijk juist, omdat eiser sinds 2003 in Nederland verblijft en meerdere malen met onbekende bestemming is vertrokken. Hiermee heeft hij zich enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken.
4.2.
Zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen. De rechtbank zal de betwiste grond 3e daarom niet bespreken.
Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering van eiser uit Nederland. In de periode dat eiser in strafrechtelijke detentie zat, is voor hem een laissez-passer (lp) aangevraagd en verstrekt op een verkeerde naam. De minister heeft ruim de tijd gehad om dit te herstellen. Door dit niet tijdig te doen, is onvoldoende voortvarend gehandeld.
5.1.
In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering uit Nederland. Eiser is op
9 januari 2026 in bewaring gesteld, nadat twee vluchten naar Irak op respectievelijk 7 en 9 januari 2026 waren geannuleerd. Al voorafgaand aan de bewaring is op 8 januari 2026 op CTP Veldzicht met eiser met eiser een vertrekgesprek gevoerd. Ook op 13 januari 2026 is met hem een vertrekgesprek gevoerd. De minister heeft toegelicht dat in eerste instantie (toen eiser in strafrechtelijke detentie verbleef) een lp is aangevraagd en verstrekt op een verkeerde naam. Op 15 januari 2026 is de lp om die reden retour gekomen. Op 19 januari 2026 is een nieuwe lp – waarop de naam van eiser staat die overeenkomt met de gegevens op zijn identiteitskaart – ontvangen. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.
Is eiser detentieongeschikt?
6. Eiser voert aan dat hij detentieongeschikt is. Het is volgens eiser onbegrijpelijk dat hij in het DTC Rotterdam is geplaatst, terwijl eerder, tijdens zijn strafrechtelijke detentie is geoordeeld dat hij niet detentiegeschikt is en in CTP Veldzicht is geplaatst. Uit het Verslag (Vertrek)gesprek van 8 januari 2026 volgt dat eiser vrijwillig in CTP Veldzicht kan verblijven. Deze optie is niet meer besproken.
6.1.
Uit de stukken van het CTP Veldzicht volgt dat eiser psychotisch is en antipsychotica weigert. Daarnaast is hij bekend met verslavingsproblematiek en is sprake van een verhoogd risico op pedofilie en handeling hiernaar. Er zijn geen aanwijzingen voor suïcidaliteit, maar eiser heeft wel gedachten om familie en een vriend in Irak iets aan te doen als hij terug is. Hij heeft geen ziektebesef en -inzicht.
6.2.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er op dit moment geen aanwijzingen om aan te nemen dat eiser detentieongeschikt is. In de maatregel is hier het volgende over opgenomen. Uit het dossier van eiser is gebleken dat hij psychische klachten heeft en daar medicatie voor gebruikt. In het DTC zijn een medische dienst en psychologen aanwezig die, indien nodig, medische behandeling en/of medicatie aan eiser kunnen verstrekken. Voor mensen die zich met moeite kunnen handhaven (vanwege bijvoorbeeld psychische problemen), is in het DTC gespecialiseerde zorg aanwezig. Als blijkt dat de zorg niet voldoende kan worden gegeven wordt betrokken overgeplaatst naar een regulier ziekenhuis, penitentiair psychiatrisch centrum of een gesloten gezondheidsinstelling. Nu de psychische zorg in het DTC voldoende is afgedekt, maakt dit eiser niet detentieongeschikt. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen het DTC, kan worden gesteld deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Dit maakt eiser evenmin detentieongeschikt. [2] Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich hiermee deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet detentieongeschikt is. De beroepsgrond slaagt niet.
Kan het terugkeerbesluit worden uitgevoerd gezien eisers medische situatie?
7. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit niet kan worden uitgevoerd vanwege zijn psychische gesteldheid en dat, gelet op het arrest Adrar van het Hof van Justitie (Hof) [3] , beoordeeld moet worden of eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst een risico op schending van artikel 3 van het EVRM loopt. Eiser weigert ook om medicatie in te nemen in het land van herkomst. Nu bovenstaande bekend is bij de minister, en omdat eiser mogelijk een gevaar voor zichzelf en/of anderen kan vormen, had de minister beter onderzoek moeten doen naar de gevolgen van eisers uitzetting. Hiertoe was voldoende aanleiding.
7.1.
In het terugkeerbesluit van 2 maart 2006 is opgenomen dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij behoort tot een risicogroep en om die reden voldoende aannemelijk is dat er sprake is van een schending van artikel 3 van het EVRM. Hierbij is overwogen dat aan het relaas van eiser geen geloof wordt gehecht en dat niet gevolgd wordt dat een reëel risico dient te worden aangenomen. Ten aanzien van de verwijzing naar de psychische/medische situatie van eiser, is overwogen dat niet uit de medische documenten is gebleken dat een reëel risico op schending van een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling dient te worden aangenomen.
7.2.
Uit het arrest Adrar van het Hof volgt dat de rechterlijke autoriteit die bevoegd is om toezicht te houden op de inbewaringstelling of de voortzetting van de bewaring van een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land, zich er zo nodig ambtshalve van moet vergewissen dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de verwijdering van die derdelander. [4] Ingeval zij tot het oordeel komt dat dit beginsel zich verzet tegen de verwijdering, is zij verplicht die derdelander onmiddellijk in vrijheid te stellen.
7.3.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet aannemelijk dat het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting van eiser verzet. Eiser heeft niet onderbouwd dat voor hem geen toereikende medische zorg in Irak voorhanden is. Eiser heeft gesteld dat inmiddels een procedure is gestart als bedoeld in artikel 64 van de Vw 2000. De minister werkt weliswaar aan eisers uitzetting, maar momenteel is er geen vlucht gepland. De rechtbank neemt aan dat voorafgaand aan eisers uitzetting, voldoende duidelijkheid zal zijn over de uitkomst van de artikel 64-procedure. Indien en zodra eiser over nadere informatie beschikt waaruit zou blijken dat er voor eiser geen behandelmogelijkheden in het land van herkomst zijn, kan eiser een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring instellen. Op dit moment is er geen reden om aan te nemen dat het beginsel van non-refoulement zich tegen verwijdering verzet. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Rb. Gelderland 17 november 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:9767.
2.Zie M109 Maatregel van bewaring als bedoeld in art. 59 Vw 2000, p. 8 en 9.
3.HvJ 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.
4.HvJ 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, r.o. 73.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).