ECLI:NL:RBDHA:2026:13713
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep wegens vertrek vreemdeling met onbekende bestemming
In deze bestuursrechtelijke zaak beoordeelt de rechtbank Den Haag het beroep van een vreemdeling tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de verantwoordelijkheid van Spanje voor de aanvraag, conform het Dublin-verdrag.
De rechtbank stelt ambtshalve vast dat de vreemdeling op 8 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken en dat de gemachtigde sinds 21 april 2026 geen contact meer heeft met de vreemdeling. Uit vaste rechtspraak volgt dat in dergelijke gevallen wordt aangenomen dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op de bescherming in Nederland, tenzij anders blijkt uit contact met de gemachtigde.
Gezien het ontbreken van contact en verblijfplaats concludeert de rechtbank dat de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer heeft bij de beoordeling van het bestreden besluit. Daarom verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Er is geen aanleiding voor proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens vertrek met onbekende bestemming en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.