Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13547

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 mei 2026
Publicatiedatum
26 mei 2026
Zaaknummer
NL26.20284 NL26.20286
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:55d Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gegrond beroep wegens niet tijdig beslissen op asielaanvragen met oplegging nadere beslistermijn en dwangsom

Eisers hebben beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister ontving de aanvragen in augustus 2025, maar heeft binnen de wettelijke beslistermijn van zes maanden geen besluit genomen. Eisers stelden de minister tijdig schriftelijk in gebreke en dienden daarna beroep in.

De rechtbank oordeelt dat de beroepen ontvankelijk en gegrond zijn, omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. De rechtbank legt een nadere beslistermijn van zestien weken op, waarbij de minister binnen acht weken na verzending van het vonnis de eisers moet horen over hun asielmotieven en binnen acht weken daarna een besluit moet nemen.

Daarnaast wordt een dwangsom van € 100 per dag opgelegd voor elke dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000. Omdat de zaken inhoudelijk samenhangen, wordt de dwangsom en proceskostenvergoeding beperkt tot één zaak. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten van € 467 aan eisers.

De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden en is op 22 mei 2026 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en legt de minister een nadere beslistermijn van zestien weken op met een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.20284 en NL26.20286
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] en [eiseres], eisers
V-nummers: [V-nummer] en [V-nummer]
(gemachtigde: mr. D. van Elp), en
de minister van Asiel en Migratie,de minister.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend, omdat de minister volgens hen niet op tijd heeft beslist op hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvragen).

Overwegingen

1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.1
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.2

Zijn de beroepen van eisers ontvankelijk en gegrond?

3. De minister heeft de aanvragen op 5 augustus 2025 en 26 augustus 2025 ontvangen. De beslistermijn is zes maanden.3 Binnen die termijn heeft de minister niet beslist op de aanvragen. Eisers hebben de minister op 4 maart 2026 en dus tijdig in gebreke gesteld. Voorts hebben eisers meer dan twee weken na de ingebrekestelling beroepen ingesteld tegen
1. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
3 Artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Aanvankelijk heeft de minister de beslistermijn onder toepassing van WBV 2025/4 met negen maanden verlengd. De minister heeft deze WBV echter weer ingetrokken (IB 2025/28). Als gevolg hiervan geldt voor alle asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2025 weer een beslistermijn van zes maanden.
het uitblijven van een beslissing. De beroepen zijn daarom ontvankelijk en kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.4 In deze zaken is dit aan de orde.
5. Uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers nog niet zijn gehoord omtrent hun asielmotieven. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak gehoren omtrent de asielmotieven van eisers moet afnemen en binnen acht weken daarna de besluiten op de aanvragen bekend moet maken.
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren.5 De rechtbank bepaalt in deze zaken dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zestien weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
8. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
9. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn familieleden, hebben dezelfde gemachtigde en hebben op of rond dezelfde data hun aanvragen, ingebrekestellingen en beroepschriften ingediend. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend.6 Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom.7
4 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
5 Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
Zie https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
6 Artikel 3 van Pro het Bpb.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten;
  • draagt de minister op om binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak nadere gehoren af te nemen en binnen acht weken na die nadere gehoren een besluit op de aanvragen bekend te maken, in ieder geval
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.20284;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.20284.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van mr. C.A.A.W. van der Heijden, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 mei 2026

Documentcode: [Documentcode]

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.