Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd ontvangen op 16 juni 2024, maar de minister had niet binnen de wettelijke beslistermijn van 21 maanden een besluit genomen. Eiser stelde de minister op 27 maart 2026 schriftelijk in gebreke, waarna hij meer dan twee weken later beroep instelde.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister de beslistermijn heeft overschreden. De rechtbank bepaalt dat de minister binnen acht weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit moet nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-, voor elke dag dat de minister de termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter G.P. Loman en griffier C.A.A.W. van der Heijden op 20 mei 2026.