De zaak betreft een beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eerder had de rechtbank in een uitspraak van 22 juli 2025 een termijn van zestien weken gesteld waarbinnen de minister moest beslissen. Deze termijn is inmiddels ruim overschreden, met een verstreken periode van 21 maanden.
De rechtbank overweegt dat eiser niet eerst een ingebrekestelling hoefde te sturen vanwege de eerdere rechterlijke termijnstelling. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van zes weken vast, waarbij de minister wordt verplicht binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen. Tevens wordt een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 15.000,-, om de minister te stimuleren tot tijdige besluitvorming.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege de inschakeling van een professionele juridische hulpverlener. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het niet tijdig genomen besluit en legt de genoemde maatregelen op.