Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:13113

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 mei 2026
Publicatiedatum
22 mei 2026
Zaaknummer
AWB 26/517
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak beëindiging verblijfsrecht

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar verblijfsrecht met terugwerkende kracht te beëindigen vanaf 1 mei 2023. De minister handhaafde dit besluit bij het bestreden besluit van 19 december 2025.

Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep op 7 april 2026 in Utrecht, waarbij de gemachtigden van beide partijen en de zus van verzoekster aanwezig waren.

Op 7 mei 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard, waardoor een voorlopige voorziening niet langer nodig was. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af.

Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift had ingediend. De proceskosten voor deelname aan de zitting waren reeds in de bodemzaak vergoed.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/517

uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Koesveld),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

1. De minister heeft het verblijfsrecht van eiseres bij besluit van 14 november 2024 beëindigd met terugwerkende kracht vanaf 1 mei 2023. Met het bestreden besluit van 19 december 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister hierbij gebleven.
1.1.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, tezamen met het beroep, [1] op 7 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, de (gestelde) zus van verzoekster en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Het beroep is gegrond verklaard. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.

Conclusie en gevolgen

3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
3.1.
Gelet op de uitkomst van de bodemzaak veroordeelt de voorzieningenrechter de minister wel in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift heeft ingediend. De voorzieningenrechter wijst erop dat in de uitspraak op het beroep de proceskosten voor het deelnemen aan de zitting zijn vergoed.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R.R. Nortier, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.AWB 26/515.