ECLI:NL:RBDHA:2026:13113
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak beëindiging verblijfsrecht
Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om haar verblijfsrecht met terugwerkende kracht te beëindigen vanaf 1 mei 2023. De minister handhaafde dit besluit bij het bestreden besluit van 19 december 2025.
Verzoekster vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter behandelde het verzoek samen met het beroep op 7 april 2026 in Utrecht, waarbij de gemachtigden van beide partijen en de zus van verzoekster aanwezig waren.
Op 7 mei 2026 heeft de rechtbank uitspraak gedaan en het beroep gegrond verklaard, waardoor een voorlopige voorziening niet langer nodig was. De voorzieningenrechter wees daarom het verzoek om voorlopige voorziening af.
Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster, omdat de gemachtigde van verzoekster een verzoekschrift had ingediend. De proceskosten voor deelname aan de zitting waren reeds in de bodemzaak vergoed.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan verzoekster.