Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12974

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.13271 en NL26.13272
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, verzet zich tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening.

Eiser stelt dat overdracht aan Noorwegen indirect refoulement oplevert vanwege een ander beschermingsbeleid voor Ahmadi’s en eerdere afwijzing aldaar. Tevens betoogt hij dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen gebruik is gemaakt van de discretionaire bevoegdheid om de zaak aan zich te trekken.

De rechtbank oordeelt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel geldt en eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Noorwegen een reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook is een mogelijk verschil in beschermingsbeleid niet relevant binnen de Dublinprocedure.

De rechtbank vindt dat de minister het besluit voldoende heeft gemotiveerd en dat het beroep kennelijk ongegrond is. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.13271 en NL26.13272
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. T. Thissen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Noorwegen verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1989 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Noorwegen verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en is van oordeel dat dit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser verzoekt hetgeen hij in zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser stelt dat een overdracht aan Noorwegen zal leiden tot indirect refoulement naar Pakistan, vanwege een ander beschermingsbeleid in Noorwegen ten aanzien van Ahmadi’s en eerdere afwijzing van eisers asielaanvraag in Noorwegen. Tot slot stelt eiser dat verweerder niet heeft gemotiveerd waarom verweerder geen gebruik maakt van de mogelijkheid om de behandeling van de zaak onverplicht aan zich toe te trekken op grond van de discretionaire bevoegdheid.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. Gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder er in het algemeen vanuit gaan dat Noorwegen zijn verdragsverplichtingen nakomt. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Noorwegen, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Noorse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van Pro het EVRM [2] en artikel 4 van Pro het Handvest [3] strijdige behandeling. Van een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest zal, in geval de vreemdeling aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn als de tekortkomingen structureel zijn en een bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. [4] Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt.
7. Ten opzichte van eisers stelling dat een overdracht aan Noorwegen zal leiden tot indirect refoulement naar Pakistan overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op de uitspraken van het Hof [5] van 30 november 2023 [6] en de Afdeling [7] van 12 juni 2024 [8] kan de rechtbank binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordelen of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement als gevolg van het beschermingsbeleid. Dit is alleen anders indien niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Dat is in dit geval, zoals hiervoor overwogen, niet aan de orde.
Bovendien hebben de Noorse autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat eisers asielaanvraag in behandeling wordt genomen met inachtneming van de internationale verplichtingen. In dat kader zijn de Noorse autoriteiten gebonden aan de verplichting om eiser niet uit te zetten als dat strijdig zou zijn met artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Mocht eiser problemen ervaren, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de Noorse autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen of het vragen van hulp bij de Noorse autoriteiten voor niet eiser niet mogelijk zal zijn.
8. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat het beschermingsbeleid voor Ahmadi’s in Nederland en Noorwegen verschillend is, heeft verweerder zich onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 [9] op het standpunt kunnen stellen dat een mogelijk verschil in beschermingsbeleid van asielzoekers in Nederland en Noorwegen bij de toepassing van de Dublinverordening niet relevant is.
9. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verweerder geen gebruik heeft gemaakt van zijn discretionaire bevoegdheid. De rechtbank overweegt hierover het volgende. Op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening kan verweerder de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag van eiser ook onverplicht aan zich trekken. Verweerder geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt.
9.1.
Dit heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank overweegt dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. In het bestreden besluit is verweerder ingegaan op de persoonlijke ervaringen van eiser en de situatie in Noorwegen. Daarnaast heeft verweerder hier ook bij betrokken dat eiser niet met documenten heeft onderbouwd dat eiser in een situatie terecht zal komen die de bijzondere hoge drempel van zwaarwegendheid zal halen. Verweerder hoeft deze omstandigheden niet nogmaals te betrekken bij de motivering waarom hij geen gebruik maakt van zijn discretionaire bevoegdheid als bedoeld in artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [10] Naar oordeel van de rechtbank heeft verweerder het bestreden besluit voldoende gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [11] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
4.Zie het arrest van het Hof van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), onder overwegingen 91-93.
5.Hof van Justitie van de Europese Unie.
6.ECLI:EU:C:2023:934.
7.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5358.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.