ECLI:NL:RBDHA:2026:1294

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
22 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL:TZ:2503550:R-RK
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Rekestprocedure
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
FaillissementswetArt. 287 Faillissementswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot toelating tot wettelijke schuldsaneringsregeling wegens gebrek aan goeder trouw en onvoldoende aannemelijkheid voortzetting onderneming

Verzoeker, een ondernemer, heeft een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) met een eerdere ingangsdatum. De rechtbank heeft dit verzoek behandeld en beoordeeld aan de hand van de voorwaarden voor toelating tot de WSNP.

De rechtbank oordeelt dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest in de afgelopen drie jaar, omdat hij aanzienlijke belastingschulden heeft laten ontstaan en niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot afdracht van loonheffing en omzetbelasting. Ook in jaren waarin de onderneming winstgevend was, zijn schuldeisers niet betaald terwijl er wel privé onttrekkingen plaatsvonden.

Het beroep op de hardheidsclausule wordt verworpen omdat er geen wijziging van omstandigheden is gebleken en de budgetbegeleiding niet heeft geleid tot betaling van belastingschulden of overname van de boekhouding. Daarnaast is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker de WSNP-verplichtingen zal nakomen, omdat hij geen realistische begroting of onderbouwde prognoses heeft verstrekt die een levensvatbare bedrijfsvoering en kundig ondernemerschap aantonen.

Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot toelating tot de WSNP af. Tegen deze uitspraak kan binnen acht dagen hoger beroep worden ingesteld.

Uitkomst: Verzoek tot toelating tot de WSNP wordt afgewezen wegens gebrek aan goeder trouw en onvoldoende aannemelijkheid van nakoming verplichtingen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer: NL:TZ:2503550:R-RK
uitspraakdatum: 22 januari 2026
[verzoeker],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats],
hierna: [verzoeker].
Waar deze zaak over gaat
[verzoeker] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor de schulden te komen heeft [verzoeker] een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). Dit verzoek wordt afgewezen. De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist. Eerst volgt een overzicht van de procedure.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek ingediend om te worden toegelaten tot de WSNP, waarbij is verzocht om de ingangsdatum van de termijn van de schuldsanering eerder in te laten gaan.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 15 januari 2026. Op de zitting verschenen:
 [verzoeker],
 [naam], schuldhulpverlener van [bedrijfsnaam].
1.3.
De uitspraak is bepaald op vandaag

2.De beoordeling van het verzoek

2.1.
[verzoeker] kan alleen worden toegelaten tot de WSNP als hij aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoet. Die voorwaarden zijn dat aannemelijk moet zijn dat [verzoeker] in een problematische schuldensituatie verkeert, dat hij in de afgelopen drie jaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en het onbetaald laten van de schulden, en dat aannemelijk is dat [verzoeker] de verplichtingen van de WSNP zal nakomen.
2.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet aannemelijk is dat [verzoeker] in de afgelopen drie jaar te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden en ook niet dat [verzoeker] de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden, onder controle heeft gekregen. Ook is niet aannemelijk dat [verzoeker] als ondernemer de verplichtingen van de WSNP zal nakomen.
2.3.
[verzoeker] is ondernemer en heeft te kennen gegeven zijn onderneming te willen voortzetten tijdens het WSNP-traject. Uit het schuldenoverzicht van de belastingdienst van 1 december 2025 dat namens [verzoeker] is verstrekt, blijkt dat in 2023, 2024 en 2025 nog aanzienlijke belastingschulden zijn ontstaan. Het betreft loonheffing, omzetbelasting, inkomstenbelasting en motorrijtuigbelasting. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat hij dacht dat hij deze belastingschulden niet hoefde te betalen omdat deze in het WSNP traject gesaneerd zouden worden.
2.4.
Ter zitting is een beroep gedaan op de hardheidsclausule. [verzoeker] heeft inmiddels budgetbegeleiding en daardoor is volgens hem de situatie nu onder controle.
2.5.
De rechtbank beoordeelt of de schulden die voortkomen uit de bedrijfsvoering of
zelfstandig beroep, te goeder trouw zijn. In principe is er geen sprake van goeder trouw
indien in de drie jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend,
de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben
op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet
nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.
2.6.
[verzoeker] heeft in de afgelopen 3 jaar en zelfs nog in 2025 (deels) niet voldaan aan
zijn verplichting tot afdracht van loonheffing en omzetbelasting en is daarom niet te
goeder trouw. De schuldeisers zijn ook in de jaren 2023 en 2024 toen de onderneming
blijkens de overgelegde gegevens wel winstgevend was, in het geheel niet betaald of
(deels) afgelost, terwijl in die jaren wel aanzienlijke privé onttrekkingen lijken te
hebben plaatsgevonden. [verzoeker] was daarom ook niet te goeder trouw ten aanzien van het onbetaald laten van zijn schulden gedurende die jaren.
2.7.
Het beroep op de hardheidsclausule slaagt niet. [verzoeker] wil zijn onderneming
voortzetten. Op de zitting is duidelijk geworden dat de budgetbegeleiding van de heer
[verzoeker] de boekhouding van de onderneming niet heeft overgenomen en ook de
belastingaanslagen niet betaalt. [verzoeker] heeft wel een externe boekhouder maar
die had hij de afgelopen jaren ook al. Ondanks deze externe boekhouder zijn de laatste
jaren nog belastingschulden ontstaan en zijn schuldeisers onbetaald gelaten terwijl deze, gezien de winst die werd gemaakt, wel (deels) konden worden afgelost. Van een
wijziging van omstandigheden waardoor dit niet meer kan voorkomen, is niet gebleken.
2.8.
De rechtbank bepaalt of een schuldenaar tot de WSNP kan worden toegelaten wanneer de onderneming wordt voortgezet. Het uitgangspunt is dat een schuldenaar die wil ondernemen alleen wordt toegelaten als hij een realistische begroting van zijn netto verdiencapaciteit overlegt zodat verantwoord kan worden ingeschat of voortzetting in het belang van de boedel zal zijn. Naast het netto bedrag aan verdiencapaciteit, moet ook het (geprognotiseerde) gemiddelde gerealiseerde netto resultaat per maand van het werken als ondernemer door de schuldenaar aannemelijk worden gemaakt. Voor voortzetting is ook vereist dat aannemelijk is dat aan de zijde van de schuldenaar sprake is van een levensvatbare bedrijfsuitoefening en voldoende kundig ondernemerschap. Het voorgaande is onvoldoende gebleken nu de daarvoor benodigde financiële gegevens (waaronder de actuele cijfers over 2025 en onderbouwde prognoses) niet zijn verstrekt. Daarmee is onvoldoende aannemelijk dat [verzoeker] de verplichtingen van de WSNP zal kunnen nakomen.

3.De beslissing

De rechtbank:
- wijst het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling van [verzoeker] af.
Dit is een beslissing van mr. L. Mundt, rechter, in samenwerking met B.A.H. van der Ven, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2026.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die dat volgens de Faillissementswet mag gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.