Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12925

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL25.29460
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 VwArt. 29 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende motivering geloofwaardigheid en illegale uitreis

Eiseres, een Eritrese vrouw, diende een asielaanvraag in na problemen met de autoriteiten vanwege de desertie van haar partner uit het leger. Verweerder wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van de verklaringen over de desertie en de illegale uitreis, mede omdat de grenzen open waren tijdens haar vertrek.

In beroep stelde eiseres dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de culturele context in Eritrea en de emotionele omstandigheden, en dat de beoordeling van haar geloofwaardigheid in strijd was met het Unierecht. De rechtbank oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de problemen met de autoriteiten en de illegale uitreis niet geloofwaardig zouden zijn.

De rechtbank benadrukte dat het ontbreken van zichtbare grenscontroles niet automatisch betekent dat de uitreis legaal was, en dat de verklaringen van eiseres over het gebruik van een smokkelaar niet onverenigbaar zijn met een illegale uitreis. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29460

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres]

[V-nummer],
(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C. van der Zijde).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag.
1.1.
Eiseres heeft op 6 mei 2023 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. [1] Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. A.T. Bosman als waarnemer van de gemachtigde van eiseres, en de gemachtigde van verweerder. Eiseres heeft de zitting niet bijgewoond.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en verklaart te zijn geboren in 1981. Zij heeft het volgende aan haar asielaanvraag ten grondslag gelegd. De partner van eiseres is gedeserteerd uit het leger. Om die reden zijn de autoriteiten bij haar langs geweest om te vragen waar hij is. Eiseres is hierdoor zelf in de problemen gekomen met de autoriteiten en is daarom gevlucht vanuit Eritrea. Bij terugkeer vreest zij in de gevangenis te komen en loopt zij ook risico vanwege haar illegale uitreis.
Het bestreden besluit
3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
illegale uitreis; en
problemen met de autoriteiten vanwege de desertie van haar partner.
3.1.
Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig. Verweerder vindt het niet geloofwaardig dat eiseres problemen heeft met de autoriteiten vanwege de desertie van haar partner. Dat eiseres illegaal het land uit is gereisd, vindt verweerder ook niet geloofwaardig. De verklaringen van eiseres vormen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. [2] Bovendien waren de grenzen open in de periode dat eiseres Eritrea verliet, waardoor er geen sprake is van illegale uitreis. Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij een gegronde vrees heeft voor vervolging [3] of een reëel risico op ernstige schade loopt [4] bij terugkeer naar Eritrea. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als ongegrond.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar asielaanvraag en voert – kort samengevat – het volgende aan. Allereerst verzoekt eiseres om dat wat zij in de zienswijze naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen. Verder voert eiseres aan dat verweerder haar zienswijze onvoldoende serieus heeft genomen, daarmee de voornemenprocedure adversatief heeft uitgevoerd en de samenwerkingsverplichting heeft geschonden. Ook voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte heeft tegengeworpen dat eiseres geen documenten heeft overgelegd. De wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van de asielmotieven van eiseres beoordeeld, is daardoor in strijd met het Unierecht.
4.1.
Eiseres voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat eiseres problemen heeft ondervonden met de Eritrese autoriteiten vanwege de desertie van haar partner. Verweerder betwijfelt ten onrechte dat de autoriteiten op de hoogte waren van de relatie met haar partner, nu uit landeninformatie volgt dat de Eritrese overheid het privéleven van burgers intensief controleert. Bovendien stond eiseres de militairen thuis te woord en ontving zij via haar partner voedselcoupons van de autoriteiten. Verder heeft verweerder bij de besluitvorming onvoldoende rekening gehouden met de Eritrese sociale en culturele context [5] en de emotionele omstandigheden van eiseres. Dat ziet met name op de stellingen van verweerder dat eiseres meer details zou moeten weten over de taken van haar partner tijdens de dienstplicht en dat het onlogisch zou zijn dat de autoriteiten eiseres vooraf waarschuwden.
4.2.
Verder voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat het niet geloofwaardig is dat zij illegaal Eritrea is uitgereisd. Het probleemloos passeren van de grens is eiseres ten onrechte tegengeworpen, nu zij uitdrukkelijk heeft verklaard Eritrea illegaal te zijn uitgereisd met behulp van een smokkelaar vanwege onveiligheid en het willen vermijden van controleposten en wegblokkeringen. Verweerder heeft de verklaringen van eiseres ten onrechte als ongeloofwaardig of ongerijmd aangemerkt en ten onrechte aannames gemaakt over haar (reis)route. Verweerder heeft daarbij ook onvoldoende gemotiveerd welke formele uitreisvereisten golden in januari 2019 en hoe deze zich verhouden tot het beleidskader. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiseres gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
De zienswijze van eiseres
6. De rechtbank overweegt allereerst dat uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres in de zienswijze naar voren heeft gebracht, zij niet kan afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Het enkel verwijzen naar argumenten in de zienswijze kan dan ook niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. De rechtbank zal zich verder beperken tot de bespreking van de gronden die in beroep zijn aangevoerd.
7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder op zodanige wijze is omgegaan met haar zienswijze dat hij de samenwerkingsverplichting heeft geschonden. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat verweerder de zienswijze onvoldoende serieus heeft genomen en onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de argumenten die zij in zienswijze naar voren heeft gebracht. De rechtbank overweegt dat het voornemen, de zienswijze en het bestreden besluit blijk geven van een inhoudelijke discussie, waarbij eiseres en verweerder het niet eens zijn over de beoordeling van het asielrelaas. De rechtbank ziet in deze stukken geen aanleiding om te concluderen dat er sprake is van een adversatieve besluitvorming of tunnelvisie die de zorgvuldigheid van de besluitvorming raakt. De rechtbank begrijp dat eiseres wenst op te komen tegen de motivering van het bestreden besluit. Daar gaat de rest van deze uitspraak over.
De geloofwaardigheidsbeoordeling in het algemeen
8. Eiseres heeft ter zitting aangevoerd dat de wijze waarop verweerder de geloofwaardigheid van een asielrelaas beoordeelt in strijd is met het Unierecht, met name voor wat betreft het belang dat verweerder hecht aan het overleggen van objectieve documenten. De rechtbank ziet in dit betoog van eiseres geen aanleiding voor het oordeel dat de door verweerder gehanteerde werkwijze onzorgvuldig is en in strijd is met het Unierecht. [7] Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat verweerder geen integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt in de besluitvorming. Ook blijkt in het geval van eiseres niet dat verweerder het asielmotief alleen ongeloofwaardig vindt omdat zij geen objectieve documenten heeft overgelegd. Verweerder heeft namelijk gekeken naar de verklaringen van eiseres en heeft vervolgens in de geloofwaardigheidsbeoordeling de verklaringen getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw (stap 2b). [8]
Mocht verweerder vinden dat het niet geloofwaardig is dat eiseres problemen heeft ervaren vanwege de desertie van haar partner?
9. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat hij de gestelde problemen van eiseres vanwege de desertie van haar partner, voornamelijk niet geloofwaardig vindt omdat eiseres weinig kan verklaren over de functies en taken die haar partner vervult tijdens de militaire dienstplicht. Eiseres heeft desgevraagd verklaard dat zij alleen weet dat haar partner de (militaire) dienstplicht vervult bij de landbouwafdeling in [plaats] en dat zij niet weet wat zijn precieze taken zijn. Eiseres heeft verklaard dat het ongebruikelijk is om aan iemand die in dienst is, te vragen wat zijn taken zijn. [9] Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat van eiseres verwacht mag worden dat zij meer kan vertellen over de dienstplicht van haar partner, gelet op hun lange relatie. Ook heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het vreemd is dat de autoriteiten eiseres hebben gewaarschuwd dat zij na drie dagen terug zouden komen om haar mee te nemen. Om deze redenen vindt verweerder het niet geloofwaardig dat eiseres problemen heeft gehad met de autoriteiten vanwege de desertie van haar partner.
9.1.
De rechtbank volgt eiseres in haar betoog dat verweerder de culturele context en situatie in Eritrea onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van haar verklaringen. Eiseres heeft tijdens het gehoor uitgelegd waarom zij niet meer kan vertellen over de functies van haar partner. In beroep heeft ze geprobeerd met informatie van Vluchtelingenwerk Nederland te onderbouwen dat het in Eritrea niet gebruikelijk is om te spreken over de functie en taken van iemand die in dienstplicht zit. Ook heeft eiseres verschillende rapporten overgelegd [10] om te onderbouwen dat het afgeven van waarschuwingen past binnen een patroon van intimidatie en druk door de autoriteiten. Verweerder heeft de geboden uitleg en overgelegde informatie onvoldoende kenbaar betrokken bij de beoordeling van de verklaringen van eiseres. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet geloofwaardig is dat eiseres problemen heeft ervaren vanwege de desertie van haar partner.
Mocht verweerder de illegale uitreis van eiseres ongeloofwaardig vinden?
10. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat de illegale uitreis van eiseres ongeloofwaardig is. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op de omstandigheid dat eiseres is vertrokken in de periode waarin de grenzen geopend waren en dat zij heeft verklaard dat zij geen controles heeft waargenomen en probleemloos de grens is overgestoken. Naar het oordeel van de rechtbank miskent verweerder daarmee echter dat uit openbare landeninformatie [11] volgt dat ook gedurende de zogenoemde opengrensperiode formele uitreisvereisten bleven gelden. Het ontbreken van feitelijke controle betekent niet zonder meer dat sprake was van een legale uitreis. Dat volgt ook uit de uitspraak van de hoogste bestuursrechter. [12] Dat eiseres heeft verklaard met behulp van een smokkelaar te zijn vertrokken, terwijl zij zelf de route niet kende en niet wist of zij langs een officiële grenspost reisde, is op zichzelf bezien niet onverenigbaar met een illegale uitreis. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom het ontbreken van zichtbare controles en het feit dat eiseres zich niet heeft hoeven verstoppen, niet overeenkomt met het reizen middels een smokkelaar en zelfs uitsluit dat zij illegaal is uitgereisd.
10.1.
Ook de tegenwerping dat de door eiseres genoemde reistijd niet overeenkomt met routeplanners, is onvoldoende gemotiveerd. Verweerder heeft weliswaar gewezen op een aanzienlijk verschil met de reistijd volgens Google Maps en vergelijkbare planners, maar heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom deze vergelijking doorslaggevend kan zijn voor de beoordeling van de geloofwaardigheid van de feitelijk afgelegde route. Daarbij heeft eiseres verklaard dat zij waarschijnlijk niet via de gebruikelijke wegen heeft gereisd. Dat verweerder verwacht dat een smokkelaar juist een snellere route zou hebben gekozen, berust naar het oordeel van de rechtbank op een veronderstelling die niet nader is onderbouwd.
10.2.
De rechtbank overweegt ten slotte dat verweerder ook niet heeft mogen vinden dat de illegale uitreis niet geloofwaardig is omdat de aanleiding tot het vertrek van eiseres – de problemen met autoriteiten – niet geloofwaardig is. Nog afgezien van het oordeel dat onvoldoende is gemotiveerd dat de problemen niet geloofwaardig zijn, [13] benadrukt de rechtbank dat er sprake kan zijn van een illegale uitreis ongeacht de aanleiding van een vertrek. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het besluit van 16 mei 2025. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op de aanvraag van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
12. De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,-. [14]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw.
3.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
4.Op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
5.Ter onderbouwing verwijst eiseres naar een e-mailbericht van Vluchtelingenwerk Nederland; en naar het rapport van de EUAA/EASO uit 2019 ‘Eritrea: National service, exit and return’, het rapport van Human Rights Watch uit 2009 ‘Service for life’, en het rapport van Amnesty International uit 2015 ‘Just deserters’.
6.Zoals vastgelegd in paragraaf C7/11.4.5 van de Vreemdelingencirculaire (Vc); Ter onderbouwing verwijst eiseres naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 18 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2601.
7.Zie ook de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440.
8.Dit komt overeen met stap 2b van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals vastgelegd in Werkinstructie (WI) 2024/6.
9.Zie het nader gehoor, pagina’s 27-28.
10.Onder meer van EUAA, Human Rights Watch en Amnesty International, zie voetnoot 5.
11.Zie bijvoorbeeld paragraaf 3.2.3 van het Algemeen ambtsbericht Eritrea van oktober 2019, paragraaf 3.2.1 en 3.2.3 van het EASO-rapport ‘
12.Zie de uitspraak van de Afdeling van 18 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2601.
13.Zie r.o. 9 en 9.1.
14.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.