Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12916

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL25.38756
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende bewijs huwelijk en schending hoorplicht

Eiseres, een Eritrese vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij haar echtgenoot in Nederland te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat het huwelijk niet rechtsgeldig zou zijn aangetoond en er geen duurzame relatie zou bestaan. Tevens werd het inburgeringsvereiste niet als voldaan beschouwd. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte vasthield aan een verouderd ambtsbericht en onvoldoende rekening hield met het nieuwere ambtsbericht waarin religieuze huwelijken ook zonder registratie rechtsgeldig zijn.

Daarnaast concludeert de rechtbank dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het gezinsleven en de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro onvoldoende gemotiveerd is, mede doordat eiseres en referent niet zijn gehoord. De hoorplicht is geschonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

De rechtbank wijst ook de proceskosten toe aan eiseres en vergoedt het griffierecht. De behandeling van het beroep wordt niet aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen over het inburgeringsvereiste, omdat de hoorplichtschending en onvoldoende motivering reeds tot vernietiging leiden.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering en schending van de hoorplicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38756

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

[V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. van Werven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Ch.R. Vink).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv).
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam] (referent), bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Als tolk is verschenen A. Solomon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Eritrese nationaliteit. Ze heeft op 20 augustus 2024 een aanvraag gedaan voor een mvv om te kunnen verblijven bij haar gestelde echtgenoot, [naam] (referent). Eiseres en referent hebben verklaard te zijn getrouwd in Eritrea in 2011. Eiseres heeft eerder in 2014, 2015 en 2016 aanvragen gedaan voor een mvv voor verblijf bij referent.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is aangetoond dat eiseres en referent zijn getrouwd of een duurzame relatie hebben. De overgelegde bewijsstukken zijn onvoldoende om aan te tonen dat eiseres en referent zijn getrouwd, omdat daar verschillende namen van eiseres op staan. Daarnaast heeft de rechtbank in de uitspraak op het beroep in de vorige aanvraag van eiseres overwogen dat de overgelegde kerkelijke huwelijksakte zonder bewijs van inschrijving bij de sub zoba of [gemeente] niet voldoet als bewijs van een rechtsgeldig huwelijk. [1] Verweerder heeft vervolgens geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat eiseres en referent een duurzame en exclusieve relatie hebben, nu er geen relatieverklaring is ondertekend en eiseres de vragenlijst niet heeft ingevuld. Verweerder heeft de aanvraag ook afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan het inburgeringsvereiste en er geen aanleiding is om haar daarvoor vrij te stellen. Ten slotte heeft verweerder geconcludeerd dat de afwijzing niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [2]
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiseres en referent zijn getrouwd. Er is sprake van een naar internationaal privaatrecht rechtsgeldig huwelijk. Het ontbreken van de inschrijving bij de sub zoba betekent niet dat het huwelijk in Eritrea niet als rechtsgeldig is erkend. Uit het ambtsbericht volgt namelijk dat een religieus huwelijk wettelijk geldig is, ook zonder registratie. [3] Ook heeft verweerder onvoldoende rekening gehouden met de uitleg die eiseres en referent hebben geboden over de reden waarom de verschillende stukken verschillende namen van eiseres vermelden.
4.1.
Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte heeft beoordeeld of er sprake is van een duurzame en exclusieve relatie, nu in de Gezinsherenigingsrichtlijn geen aanvullende voorwaarden worden gesteld voor hereniging van echtgenoten. Subsidiair voert eiseres aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een duurzame en exclusieve relatie. Eiseres en referent zijn onvoldoende in de gelegenheid gesteld om hier informatie over te verstrekken nu zij hier niet over zijn gehoord. Verweerder heeft bovendien niet beoordeeld of sprake is van 'werkelijk gezinsleven' zoals bedoeld in de Gezinsherenigingsrichtlijn en had in moeten gaan op de daadwerkelijke band tussen de gezinsleden (of de wil om die band te hebben). [4] Al sinds 2011 hebben eiseres en referent een duurzame en intensieve relatie, onderbroken door de vlucht van referent. Verweerder heeft geen rekening gehouden met de bijzondere situatie van vluchtelingen. [5]
4.2.
Verder voert eiseres aan dat het besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar het gezinsleven van eiseres en referent nu verweerder enkel de verklaringen heeft gebruikt uit de gehoren die hebben plaatsgevonden in de voorgaande aanvragen van eiseres. Dat betroffen aanvragen in het kader van nareis, waarin het onderzoek zich richtte op het gezinsleven tijdens het peilmoment. Een beoordeling van artikel 8 van Pro het EVRM vereist ook een onderzoek naar het gezinsleven ten tijde van het besluit. Eiseres voldoet bovendien aan nagenoeg alle voorwaarden voor verlening van de mvv, waardoor het economisch belang van Nederland niet doorslaggevend kan zijn in de belangenafweging. Verweerder heeft in de belangenafweging onvoldoende gewicht toegekend aan de sterke binding van referent met Nederland, de belemmering om het gezinsleven in Ethiopië uit te oefenen en de ernst van de situatie in Eritrea.
4.3.
Ook voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte het inburgeringsvereiste heeft tegengeworpen. Gelet op de prejudiciële vragen over dit vereiste die voorliggen bij het Europese Hof van Justitie [6] , had verweerder het vereiste buiten toepassing moeten laten. Subsidiair voert eiseres aan dat zij had moeten worden vrijgesteld gelet op haar achtergrond en de inspanning de zij heeft verricht.
4.4.
Ten slotte voert eiseres aan dat de hoorplicht is geschonden. Verweerder had eiseres en referent in de gelegenheid moeten stellen om te verklaren over hun huwelijk, over de huidige invulling van hun relatie en over de inspanningen van eiseres om het inburgeringsvereiste te halen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Mocht verweerder vinden dat niet is aangetoond dat eiseres en referent zijn getrouwd of een relatie hebben?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat het huwelijk tussen eiseres en referent niet is aangetoond. De rechtbank legt dat hieronder uit.
5.1.
De rechtbank gaat in haar beoordeling uit van de volgende feiten, zoals ook besproken ter zitting. De eerdere aanvragen van eiseres voor verblijf bij referent zijn door verweerder beoordeeld aan de hand van het beoordelingskader voor nareisaanvragen. De huidige aanvraag van eiseres is door verweerder beoordeeld in het reguliere kader voor gezinshereniging, nu referent is genaturaliseerd tot Nederlander. Verweerder heeft hierbij een nieuwe inhoudelijke beoordeling verricht en heeft deze aanvraag dus niet behandeld als een opvolgende aanvraag. Verweerder heeft in de beoordeling van de vraag of eiseres en referent gehuwd zijn, gewezen op de uitspraak [7] van de rechtbank op het beroep in de vorige (nareis)procedure van eiseres. Verweerder heeft daarbij uitdrukkelijk vastgehouden aan de overwegingen van de rechtbank dat de huwelijksakte, zonder inschrijving van het huwelijk in de sub zoba, geen bewijs is van een rechtsgeldig huwelijk. Voor dat oordeel is verwezen naar een uitspraak van de hoogste bestuursrechter, [8] waarin wordt ingegaan op de procedure voor het registreren van huwelijken zoals beschreven in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van februari 2017.
5.2.
Eiseres heeft gewezen op informatie in het nieuwere Algemeen Ambtsbericht Eritrea van december 2023. Daarin staat:
“Het wettelijk kader voor huwelijken in Eritrea is vastgelegd in het burgerlijk wetboek uit 2015, de New Civil Code of Eritrea (NCCE). Dit wetboek vervangt het oudere burgerlijk wetboek de Transitional Civil Code (TCC) uit 1991, maar het is onduidelijk in hoeverre de NCCE is geïmplementeerd en wordt gevolgd. De artikelen in beide wetboeken komen grotendeels overeen. De NCCE erkent in artikel 518 burgerlijke Pro huwelijken, religieuze huwelijken en huwelijken gebaseerd op het gewoonterecht. Religieuze en gewoonterecht-huwelijken zijn wettelijk geldig, ook als ze niet zijn geregistreerd.”
5.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de informatie uit dit ambtsbericht ten onrechte niet betrokken in het bestreden besluit. Te meer nu uit deze informatie volgt dat de artikelen in het oude en nieuwe wetboek grotendeels overeenkomen en religieuze en gewoonterechthuwelijken wettelijk geldig zijn, ook als ze niet zijn geregistreerd. Dat roept de vraag op of registratie vóór 2015 dan wel was vereist. Tegen deze achtergrond heeft verweerder bij de beoordeling van de nieuwe aanvraag niet kunnen volstaan met een verwijzing naar verouderde informatie. Ook ter zitting heeft verweerder niet gemotiveerd in hoeverre er (nader) onderzoek is gedaan naar de rechtsgeldigheid van het huwelijk en wat de informatie uit het nieuwe ambtsbericht betekent voor de besluitvorming. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
5.4.
De rechtbank overweegt verder dat alleen de omstandigheid dat er verschillende (schrijfwijzen van de) namen van eiseres staan vermeld op de overgelegde documenten, onvoldoende motivering is om het huwelijk niet aannemelijk te achten. De rechtbank acht daarbij relevant dat het gaat om kleine verschillen tussen de vermelde namen en dat referent in het bezwaarschrift en ter zitting heeft toegelicht dat een deel van de verschillen is voortgekomen uit het fonetisch opschrijven van de naam van eiseres. De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder mogen concluderen dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM?
6. De rechtbank is ook van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat er geen sprake is van een schending van artikel 8 van Pro het EVRM. In het bestreden besluit heeft verweerder in het midden gelaten of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van gezinsleven. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en in het nadeel van eiseres betrokken dat niet is aangetoond in hoeverre en op welke manier het gestelde gezinsleven is uitgeoefend in de afgelopen tien jaar. De rechtbank stelt vast dat eiseres en referent niet zijn gehoord in de besluit- of bezwaarfase. In de gehoren die hebben plaatsgevonden in het kader van de voorgaande aanvragen van eiseres is voornamelijk ingegaan op het gestelde huwelijk en de periode die daar aan vooraf is gegaan. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder deze omstandigheden onvoldoende heeft gemotiveerd dat in het nadeel van eiseres moet worden betrokken dat de invulling van het gezinsleven onbekend is. Verweerder heeft namelijk geen onderzoek gedaan naar de invulling van het gestelde gezinsleven, maar het ontbreken van kennis daarover wel tegengeworpen. De rechtbank acht dit geen ‘fair balance’. Bovendien is het niet inzichtelijk op basis van welke informatie verweerder tot deze conclusie over het gezinsleven is gekomen.
7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank ook van oordeel dat het op de weg had gelegen van verweerder om eiseres en/of referent te horen in de bezwaarfase. De hoogste bestuursrechter heeft immers overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. [9] De hoogste bestuursrechter wijst er daarbij op dat dit uitgangspunt te meer geldt in zaken waarin verweerder beslissingsruimte heeft, de beslissing sterk afhankelijk is van individuele omstandigheden en er een belangenafweging moet worden gemaakt, zoals in zaken waarin artikel 8 EVRM Pro-aspecten aan de orde zijn. Daar is in dit geval sprake van. De beroepsgrond slaagt.
Inburgeringsvereiste
8. Ter zitting hebben eiseres en verweerder aangegeven dat zij de beantwoording van de bij het Hof van Justitie aanhangige prejudiciële vragen over het inburgeringsvereiste relevant achten voor de toepassing van het vereiste in mvv-aanvragen. Eiseres en verweerder hebben ook aangegeven dat zij zich er niet tegen verzetten als de rechtbank vast uitspraak doet op de punten in geschil die niet zien op het inburgeringsvereiste. De rechtbank ziet aanleiding om vast uitspraak te doen op het beroep van eiseres, zonder de beantwoording van de prejudiciële vragen af te wachten. Daarbij overweegt de rechtbank dat de hoorplicht is geschonden en dat verweerder wordt opgedragen om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres. De rechtbank vindt het daarom niet in het belang van eiseres om de behandeling van het beroep aan te houden tot de prejudiciële vragen zijn beantwoord. Gelet op de uitkomst van dit beroep, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om alvast te oordelen over de vraag of verweerder eiseres moest ontheffen van de inburgeringsplicht. Mocht het Hof van Justitie de prejudiciële vragen hebben beantwoord op het moment dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiseres neemt, dan is het aan verweerder om daar rekening mee te houden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak.
10. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder de proceskosten van eiseres vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.868,-. [10]
11. Eiseres krijgt ook een vergoeding van het griffierecht.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 22 juli 2025;
- draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres, met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van €189,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van €1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3820, r.o. 5.2.2.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Eiseres verwijst daarbij naar het Algemeen Ambtsbericht Eritrea, december 2023.
4.Eiseres verwijst daarbij naar het arrest SW, BL en BC van het Europese Hof van Justitie, ECLI:EU:C:2022:617.
5.Eiseres verwijst daarbij naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), ECLI:NL:RVS:2024:1245.
6.Eiseres verwijst daarbij naar de (verwijzings)uitspraak van de Afdeling, ECLI:NL:RVS:2025:2628.
7.Uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3820.
8.Uitspraak van de Afdeling van 16 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1509.
9.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
10.1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.