ECLI:NL:RBDHA:2026:1290

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL26.1348
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • G.A. Bouter - Rijksen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op meerdere zware en lichte gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland, het onttrekken aan toezicht en het niet meewerken aan het vaststellen van identiteit.

Eiser voerde aan dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn vanwege zijn ernstige psychische klachten en dat detentie onevenredig zwaar voor hem is. De rechtbank oordeelde echter dat geen andere minder dwingende maatregel doeltreffend was, mede omdat eiser de gronden niet betwistte en er een reëel risico op onttrekking aan toezicht bestond.

De rechtbank nam ook de psychische problematiek van eiser mee, maar vond dat de medische zorg in detentiecentra gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij, waardoor detentie niet per definitie ongeschikt of onevenredig bezwarend is. De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.1348

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. A. Dogan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam 1]).

Procesverloop

Bij besluit van 22 december 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam 2]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft als zware gronden, bedoeld in artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden, bedoeld in artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb, vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft zich met betrekking tot de gronden van de maatregel van bewaring gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
1.2.
De rechtbank stelt vast dat de gronden 3a, 3b, 3c, 3d, 3e, 4a en 4c, en de daarop gegeven toelichtingen, die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring en die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, tezamen voldoende zijn om de maatregel van bewaring te dragen. Er volgt namelijk uit dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Lichter middel
2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht of een andere toezichtmaatregel. Eiser meent dat, gelet op zijn ernstige psychische klachten, detentie onevenredig zwaar voor hem is. In dit verband stelt hij meerdere keren briefjes te hebben ingevuld om een afspraak te maken bij de arts of psycholoog in het detentiecentrum, maar dat hij nog niet is opgeroepen voor een gesprek. Daarnaast voert eiser aan dat hij zijn asielaanvraag beter kan voorbereiden in vrijheid.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De reden hiervoor is dat eiser de gronden die ten grondslag liggen aan de maatregel niet heeft betwist en dat uit de hiervoor in rechtsoverweging 1.2 genoemde niet bestreden gronden, in onderling verband en samenhang bezien, een risico op onttrekking aan het toezicht voortvloeit. Verweerder heeft hierbij mogen betrekken dat eiser op 13 maart 2025 met onbekende bestemming is vertrokken en dat hij zich niet aan een eerder opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel met een meldplicht heeft gehouden. Daarnaast heeft verweerder in de maatregel kenbaar de psychische problemen van eiser en zijn littekens van zelfmutilatie betrokken. Verweerder heeft in de psychische problematiek van eiser geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen nu de medische zorg in detentiecentra gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. Eisers gestelde psychische omstandigheden maken hem daarom niet - zonder meer - detentieongeschikt en ook is niet aannemelijk gemaakt dat detentie onevenredig bezwarend voor eiser is. De rechtbank kan niet oordelen over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar de vreemdeling in bewaring is gesteld. Daarvoor staat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State een andere rechtsgang open, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:4002. Als eiser klachten heeft over de uitvoering van het regime in het detentiecentrum, kan hij zich wenden tot de Commissie van Toezicht van het detentiecentrum. Overigens heeft eiser op de zitting verklaard geen klacht te hebben ingediend over de omstandigheid dat hij tot op heden niet door de arts en psycholoog is opgeroepen. Verder betekent de omstandigheid dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend niet dat verweerder alleen al daarom had moeten volstaan met een lichter middel. Artikel 59b van de Vw biedt namelijk juist een specifieke grondslag voor de inbewaringstelling tijdens een asielaanvraag. De rechtbank ziet niet in waarom eiser zijn asielprocedure niet in bewaring, met hulp van zijn gemachtigde en of familieleden/bekenden, kan voorbereiden. Eiser heeft zijn stelling dat dit op problemen stuit niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
3. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de oplegging van de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
4.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Stehouwer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.