Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12896

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
NL26.17553
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 Vreemdelingenwet 2000Verordening (EU) nr. 604/2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij Dublinbesluit

De minister van Asiel en Migratie heeft op 30 maart 2026 een besluit genomen om de aanvraag van eiser tot een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling volgens de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 behandeld, waarbij de gemachtigden van beide partijen aanwezig waren.

Tijdens de procedure heeft de minister gemeld dat eiser op 9 april 2026 met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van eiser gaf aan dat zij op 3 april 2026 voor het laatst contact had met eiser, die op de hoogte was van de zitting. De rechtbank overwoog dat het vertrek zonder bekendmaking van verblijfplaats doorgaans betekent dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland.

Omdat eiser ook niet ter zitting is verschenen en geen contact meer onderhoudt, concludeerde de rechtbank dat er geen rechtens te beschermen belang meer is bij de beoordeling van het besluit. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.17553
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.M.M. Heilbron),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 30 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister zijn verschenen.
Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek aanvaard.
3. Op 17 april 2026 heeft de minister de rechtbank bericht dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken op 9 april 2026. In het bericht van 6 mei 2026 heeft de gemachtigde van eiser in reactie hierop aangegeven dat zij laatstelijk met eiser op 3 april 2026 contact heeft gehad. Daarbij heeft de gemachtigde laten weten dat eiser wel op de hoogte is van de plaats en datum van de zitting.
4. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog procesbelang heeft bij het beroep. Uit vaste rechtspraak volgt dat, als de vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel van dient te worden uitgegaan dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op deze bescherming. De rechtbank wijst daarbij op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 juli 2024. [1]
5. Gelet op wat onder 3. is overwogen en gelet op het feit dat eiser ook niet ter zitting is verschenen neemt de rechtbank aan dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Eiser heeft daarom geen rechtens te beschermen belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
6. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
21 mei 2026

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.