Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
1.De procedure
2.2. De feiten
In het handelsregister is vermeld dat [partij A] en [partij B] de vennoten zijn van deze vennootschap en dat zij beiden onbeperkt bevoegd zijn. Partijen hebben geen schriftelijke vennootschapsovereenkomst gesloten.
31 maart 2025 heeft [partij B] bij deze rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.
3.Het geschil
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een vennootschap onder firma, meent [partij A] dat in elk geval sprake is van een gemeenschap. De subsidiaire vorderingen van [partij A] richten zich op vereffening van die gemeenschap en de handelingen die daarvoor nodig zijn.
4.De beoordeling
8 november 2024 aan [partij B] geschreven: “
Jullie zijn een v.o.f. aangegaan en hebben ervoor gekozen om de winst gelijkelijk te verdelen. Het opmaken van een schriftelijk v.o.f. contract vond jij destijds niet nodig. Die overeenkomst is er dus niet.”. Deze feiten en omstandigheden zijn belangrijke aanwijzingen dat partijen in 2006 hebben beoogd een vennootschap onder firma aan te gaan.
Uit deze verklaring blijkt volgens [partij B] dat de inbreng van zijn privécollectie via de inkoop is geboekt in de beginjaren (2006-2009) en dat deze losstaat van de in grootboekrekening 1940 geboekte inbreng die vanaf 2012 als zodanig is geadministreerd. [partij B] concludeert dat hij in totaal voor € 192.512,- aan goederen heeft ingebracht.
going concernwaarde, inclusief de goodwill van de vof. De peildatum voor de waardebepaling is in beginsel de dag van verdeling. [2] In dit geval neemt de rechtbank echter 14 augustus 2025 als waardepeildatum, omdat de vof per die datum is ontbonden en [partij B] de onderneming heeft voortgezet. Per die datum zal ook een eindbalans moeten worden opgesteld om vast te stellen of er nog winst of verlies over 2025 in de verdeling moet worden betrokken.