Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12851

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
21 mei 2026
Zaaknummer
C/09/690575 / HA ZA 25-742
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7A:1655 BWArt. 7A:1670 BWArt. 7A:1683 BWArt. 7A:1686 BWArt. 3:185 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling vennootschap onder firma na ontbinding en voortzetting door één vennoot

Partijen, gehuwd onder huwelijkse voorwaarden, richtten in 2006 samen een vennootschap onder firma (vof) op voor een juwelierszaak. De rechtbank bevestigt dat sprake is van een vof ondanks het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst en dat partijen een 50/50 winstverdeling zijn overeengekomen. De vof is ontbonden per datum dagvaarding, 14 augustus 2025, omdat de opzegging door een vennoot niet eerder heeft plaatsgevonden.

De rechtbank stelt vast dat de inbreng van de ene vennoot aanzienlijk is, terwijl de andere vennoot geen financiële inbreng heeft geleverd. De waarde van de onderneming wordt voornamelijk bepaald door de bedrijfsvoorraad, die door deskundigen moet worden getaxeerd. De voortzetting van de onderneming door één vennoot leidt tot een overnamevergoeding aan de andere vennoot.

Partijen krijgen de gelegenheid om gezamenlijk deskundigen voor te dragen voor de waardebepaling en het opstellen van een eindbalans per ontbindingsdatum. De rechtbank wijst de vordering tot afgifte van de administratie aan de niet-voortzettende vennoot af, maar stelt dat de deskundigen toegang moeten krijgen tot de administratie. De kosten van het deskundigenonderzoek worden voorlopig gezamenlijk gedragen. De zaak wordt aangehouden voor nadere beslissing na deskundigenrapporten.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt het bestaan van een vof met 50/50 aandeel, ontbindt de vof per dagvaarding en bepaalt dat de onderneming door één vennoot wordt voortgezet met een overnamevergoeding aan de andere vennoot na deskundigenonderzoek.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/690575 / HA ZA 25-742
Vonnis van 20 mei 2026
in de zaak van
[partij A], te [woonplaats] ,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. J.H. Hommel te Rotterdam,
tegen
[partij B], te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
advocaat mr. A.S. Douma te Den Haag.
Partijen zullen hierna [partij A] en [partij B] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van [partij A] d.d. 14 augustus 2025;
- de akte inbreng producties van [partij A] d.d. 27 augustus 2025, met de producties 1 tot en met 11;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende (voorwaardelijke) conclusie van eis in reconventie, van [partij B] d.d. 5 november 2025, met de producties 1 tot en met 25;
- de conclusie van antwoord in (voorwaardelijke) reconventie, tevens houdende wijzing van eis in conventie, van [partij A] d.d. 17 december 2025, met de producties 12 tot en met 14;
- de akte overlegging producties van [partij B] d.d. 10 februari 2026, met de producties 26 tot en met 56;
- de brief van [partij A] d.d. 30 januari 2026, met productie 15.
1.2.
Op 10 februari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. De advocaten hebben de zaak nader toegelicht, vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar gereageerd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de mondelinge behandeling is voorgevallen.
1.3.
Na de mondelinge behandeling is de zaak aangehouden ten behoeve van schikkingsonderhandelingen tussen partijen. Partijen hebben de rechtbank op 7 april 2026 laten weten dat zij geen overeenstemming hebben bereikt en hebben de rechtbank verzocht om vonnis te wijzen. Vervolgens is een datum voor vonnis bepaald.

2.2. De feiten

2.1.
Partijen zijn op [datum] 2000 te [plaats] met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden (koude uitsluiting). Tot oktober 2024 hebben partijen een gemeenschappelijke
huishouding gevoerd.
2.2.
[partij B] is van huis uit architect, maar verrichtte vanaf jonge leeftijd hobbymatig activiteiten op het gebied van het repareren van horloges, maken van sieraden en handelen in edelstenen. Hij heeft op deze wijze in het verleden een verzameling aan sieraden, horloges, zilver en kunstobjecten opgebouwd en handelde hierin via Ebay en via Siebel Rotterdam. Op enig moment besloot [partij B] om van zijn hobby zijn werk te maken en heeft hij zich laten omscholen, om verder te gaan als juwelier en een juwelierszaak te starten.
2.3.
Op advies van belastingadviseur mr. [belastingadviseur] (hierna: [belastingadviseur] ) hebben partijen ten behoeve van de juwelierszaak op 9 november 2006 samen de vennootschap onder firma “ [bedrijfsnaam] vof” (hierna: de vof) ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel. Deze vennootschap houdt zich bezig met de handel in antiek, horloges, sieraden en edelstenen alsmede met het ontwerpen en realiseren van nieuwe sieraden.
In het handelsregister is vermeld dat [partij A] en [partij B] de vennoten zijn van deze vennootschap en dat zij beiden onbeperkt bevoegd zijn. Partijen hebben geen schriftelijke vennootschapsovereenkomst gesloten.
2.4.
In 2013 is de juwelierszaak die door de vof werd gevoerd in een fysieke winkel aan de [adres] gevestigd. Op het winkelpand staat de naam “juwelier [partij B] antiquair”.
2.5.
De winkel werd bemand door [partij B] . [partij A] verrichtte (onder meer) de administratie van de juwelierszaak. Tevens heeft zij contact onderhouden met de belastingadviseur en de boekhouder/accountant ten behoeve van de belastingaangiften en het opstellen van de jaarstukken. In de jaarrekeningen over 2008 tot en met 2023 en in de concept-jaarrekening over 2024 zijn steeds kapitaalrekeningen van [partij B] en [partij A] opgenomen.
2.6.
In de administratie van de vof is maar één rekening-courantrekening, te weten grootboekrekening 1935 R/C D.E. [partij B] , waarop mutaties zijn geboekt tussen zakelijke en privérekeningen en privékosten van zowel [partij B] als [partij A] .
2.7.
Op 8 september 2021 is door partijen in het UBO-register (register van Ultimate Beneficial Owners) van de Kamer van Koophandel ingeschreven dat [partij A] en [partij B] in de vof beiden een belang hebben dat groter dan 25% en kleiner dan 50% is.
2.8.
Het huwelijk tussen partijen is in de loop van de jaren ontwricht geraakt. Op
31 maart 2025 heeft [partij B] bij deze rechtbank een verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert, na wijziging van eis, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
I voor recht verklaart dat de vof per datum dagvaarding is ontbonden, althans de vof ontbindt per de datum die de rechtbank in goede justitie bepaalt;
II de vereffening van de vof gelast;
III voor recht verklaart dat [partij A] voor 50% gerechtigd is tot het vermogen van de vof en partijen veroordeelt over te gaan tot verdeling van het vermogen van de vof per datum van de ontbinding van de vof;
IV een of meer deskundigen benoemt ten behoeve van het beantwoorden van (onder meer) de vraag omtrent de waarde van de onderneming en de vraag op welk bedrag [partij A] recht heeft in verband met de beëindiging van de vof en de toebedeling van alle bedrijfsmiddelen aan [partij B] ;
V voor recht verklaart dat [partij B] ten titel van overbedeling een door de deskundigen vastgesteld bedrag aan [partij A] is verschuldigd en [partij B] veroordeelt tot betaling van het door de deskundigen vastgestelde bedrag;
VI [partij B] veroordeelt om de gehele administratie aan [partij A] en de door de rechtbank te benoemen deskundigen af te geven;
VII [partij B] veroordeelt om de kosten in verband met de benoeming van één of meer deskundigen te betalen;
VIII [partij B] veroordeelt om aan [partij A] de wettelijke rente te betalen over alles wat hij aan [partij A] is verschuldigd, met ingang van de dag dat de dagvaarding aan hem is betekend, dan wel per ingang van de datum van ontbinding van de vof en tot de dag van algehele voldoening;
subsidiair:
IX voor recht verklaart dat de gemeenschap per datum dagvaarding is ontbonden, althans de gemeenschap ontbindt per de datum die de rechtbank in goede justitie bepaalt;
X de vereffening van de gemeenschap gelast;
XI voor recht verklaart dat [partij A] voor 50% gerechtigd is tot het vermogen van de gemeenschap en partijen veroordeelt over te gaan tot verdeling van het vermogen van de gemeenschap per datum van de ontbinding van de gemeenschap;
XII een of meer deskundigen benoemt ten behoeve van het beantwoorden van (onder meer) de vraag omtrent de waarde van de onderneming en de vraag op welk bedrag [partij A] recht heeft in verband met de beëindiging van de gemeenschap en de toebedeling van alle bedrijfsmiddelen aan [partij B] ;
XIII voor recht verklaart dat [partij B] ten titel van overbedeling een door de deskundigen vastgesteld bedrag aan [partij A] is verschuldigd en [partij B] veroordeelt tot betaling van het door de deskundigen vastgestelde bedrag;
XIV [partij B] veroordeelt om de gehele administratie aan [partij A] en de door de rechtbank te benoemen deskundigen af te geven;
XIV [partij B] veroordeelt om de kosten in verband met de benoeming van één of meer deskundigen te betalen;
XVI [partij B] veroordeelt om aan [partij A] de wettelijke rente te betalen over alles wat hij aan [partij A] is verschuldigd, met ingang van de dag dat de dagvaarding aan hem is betekend, dan wel per ingang van de datum van ontbinding van de gemeenschap en tot de dag van algehele voldoening;
primair en subsidiair:
XVII [partij B] veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten.
3.2.
Aan deze vorderingen legt [partij A] , samengevat, het volgende ten grondslag. Partijen hebben in 2006 een vof opgericht met daarin ieder een aandeel van 50%. Nu sprake is van een verstoorde verstandhouding is ontbinding van de vof onvermijdelijk. Voor zover nodig zegt [partij A] per datum dagvaarding de vof op. De ontbinding brengt mee dat er een vereffening dient plaats te vinden van de onderneming. Daartoe dient een deskundige te worden benoemd die per datum ontbinding een scheidingsbalans opstelt. Omdat [partij B] de administratie onder zich heeft genomen en [partij A] geen toegang meer heeft tot de volledige boekhouding, heeft [partij A] thans onvoldoende zicht op de vof. Daarom dient [partij B] volledige openheid van zaken te geven en [partij A] en de te noemen deskundige(n) toegang te verschaffen tot de gehele administratie en de bankrekeningen van de vof.
Voor het geval de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een vennootschap onder firma, meent [partij A] dat in elk geval sprake is van een gemeenschap. De subsidiaire vorderingen van [partij A] richten zich op vereffening van die gemeenschap en de handelingen die daarvoor nodig zijn.
3.3.
Volgens [partij B] dienen de vorderingen van [partij A] integraal te worden afgewezen, met veroordeling van [partij A] in de proceskosten. [partij B] stelt hiertoe (primair) dat partijen geen vof zijn aangegaan. Er is slechts sprake van een eenmanszaak van [partij B] , verkleed als vof, die niet in enige gemeenschap tussen partijen is gevallen. Als tussen partijen wel sprake is van een vof, bedraagt het aandeel van [partij A] 0%, althans 10%.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in (voorwaardelijke) reconventie
3.5.
[partij B] heeft zijn verweer in conventie doen uitmonden in vorderingen in reconventie, onder de voorwaarde dat komt vast te staan dat tussen partijen sprake is van een vof-verhouding. Hij vordert, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I voor recht verklaart dat de vof per 31 december 2024 is of geldt als ontbonden en dat [partij B] als voortzettende vennoot de onderneming vanaf 1 januari 2025 als eenmanszaak mag voortzetten;
II voor recht verklaart dat [partij A] geen uittredingsvergoeding of vergoeding anderszins toekomt, althans voor recht verklaart dat die uittredingsvergoeding gelijk is aan 10% van de ondernemingswaarde (zijnde de waarde van de voorraad van de vof gecorrigeerd voor de privé-inbreng van [partij B] en gesaldeerd met de rekening courantschuld en lening van [partij A] ), dan wel enig ander in goede justitie door de rechtbank te bepalen percentage daarvan;
III zo nodig bepaalt dat ter bepaling van de waarde van het onder II bedoelde aandeel voor wat betreft de voorraad een deskundigenoordeel wordt gevraagd aan een gecertificeerd juwelen- en sieraden taxateur die in het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen (hierna: LRGD) is geregistreerd en voor wat betreft de ondernemingswaarde zo nodig een registeraccountant wordt ingeschakeld;
IV [partij A] veroordeelt in de proceskosten, althans deze kosten compenseert.
3.6.
[partij A] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] .
3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in (voorwaardelijke) reconventie
De vof is tot stand gekomen
4.1.
In conventie is allereerst aan de orde of de rechtsverhouding tussen partijen met betrekking tot de juwelierszaak als een vennootschap onder firma moet worden gekwalificeerd. Deze vraag moet naar het oordeel van de rechtbank bevestigend worden beantwoord, gelet op het volgende.
4.2.
Vof-overeenkomsten worden beheerst door de wettelijke regels zoals neergelegd in de artikelen 7A:1655 tot en met 7A:1688 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), de artikelen 1 en de artikelen 15 tot en met 34 van het Wetboek van Koophandel (hierna: WvK), het algemene verbintenissenrecht en door hetgeen tussen partijen zelf is overeengekomen.
4.3.
Uit het bepaalde in artikel 16 WvK Pro in verbinding met artikel 7A:1655 BW volgt dat de vennootschap onder firma (i) een overeenkomst is, (ii) gericht op de - duurzame - samenwerking tussen twee of meer personen, (iii) teneinde een gemeenschappelijk vermogensrechtelijk voordeel te behalen, (iv) ter bereiking van welk doel de partijen zich jegens elkaar verbinden tot inbreng, (v) die dient tot uitoefening van een bedrijf en (vi) die onder een gemeenschappelijke naam is aangegaan.
4.4.
Hoewel uit artikel 22 WvK Pro anders lijkt te volgen, hoeft de vennootschap onder firma niet door middel van een akte te worden aangegaan. De overeenkomst van vennootschap is vormvrij. De akte wordt voorgeschreven als bewijsmiddel. De akte is echter geen constitutief vereiste. [1] Dat is tussen partijen ook niet in geschil.
4.5.
Vast staat dat partijen - op advies van [belastingadviseur] - de vennootschap onder firma [bedrijfsnaam] hebben ingeschreven in het handelsregister en hierbij hebben opgegeven dat beiden zelfstandig bevoegd zijn de vof te binden. Daarnaast staat vast dat in de jaarrekeningen over 2008 tot en met 2023 en in de concept-jaarrekening over 2024 steeds de stand van kapitaalrekeningen van zowel [partij B] als [partij A] is opgenomen, hetgeen kenmerkend is voor een vennootschap onder firma. Verder heeft [belastingadviseur] in een e-mail van
8 november 2024 aan [partij B] geschreven: “
Jullie zijn een v.o.f. aangegaan en hebben ervoor gekozen om de winst gelijkelijk te verdelen. Het opmaken van een schriftelijk v.o.f. contract vond jij destijds niet nodig. Die overeenkomst is er dus niet.”. Deze feiten en omstandigheden zijn belangrijke aanwijzingen dat partijen in 2006 hebben beoogd een vennootschap onder firma aan te gaan.
4.6.
[partij B] heeft onder meer aangevoerd dat partijen slechts een eenmanszaak verkleed als vof hebben beoogd, uitsluitend om fiscale voordelen te behalen, maar hij heeft dat onvoldoende feitelijk onderbouwd. Niet in geschil is dat partijen duurzame samenwerking hebben beoogd voor een gemeenschappelijk vermogensrechtelijk voordeel. Verder staat vast dat [partij B] en [partij A] beiden in ieder geval arbeid in de onderneming hebben ingebracht. Op basis van al het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de rechtsverhouding tussen partijen met betrekking tot de juwelierszaak als een vennootschap onder firma moet worden gekwalificeerd. De omstandigheid dat in de administratie van de onderneming uitsluitend ten aanzien van [partij B] (en niet ten aanzien van [partij A] ) een rekening-courantrekening is opgenomen, maakt dit het oordeel niet anders. Een rekening-courantrekening is immers geen vereiste om vennoot van een vennootschap onder firma te kunnen zijn.
50/50 aandeel
4.7.
Vervolgens is aan de orde welk aandeel [partij B] en [partij A] in de vof hebben. [partij A] stelt dat partijen bij de oprichting van de vof zijn overeengekomen dat ieder 50% aandeel in de vof heeft. [partij B] stelt zich op het standpunt dat het aandeel van [partij A] 0% althans 10% bedraagt, omdat haar inbreng volgens [partij B] altijd gering is geweest.
4.8.
Uit artikel 7A:1670 lid 1 BW volgt dat als bij de vennootschapsovereenkomst niet is bepaald dat wat het aandeel van iedere vennoot in de winsten en de verliezen is, ieders aandeel evenredig is aan hetgeen hij in de maatschap heeft ingebracht. Aan de beoordeling van de inbreng van [partij A] komt de rechtbank op dit punt echter niet toe. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [partij B] de stelling van [partij A] dat partijen zijn overeengekomen dat ieders aandeel 50% bedraagt namelijk onvoldoende gemotiveerd betwist. Het standpunt van [partij B] komt er op neer dat zijn inbreng - zowel qua vermogen als qua arbeid - veel omvangrijker is geweest dan de inbreng van [partij A] en dat hij de zaken met de kennis van nu destijds anders had geregeld. Dit neemt echter niet weg dat in de periode 2006 tot en met 2023 in de jaarrekeningen, belastingaangiften en in de UBO-opgave van de vof steeds van een 50/50 aandeel is uitgegaan en ook de belastingadviseur van partijen ( [belastingadviseur] ), die hen al bijstond ten tijde van de oprichting van de vof, is daarvan blijkens zijn onder 4.5 bedoelde e-mail uitgegaan. Nu [partij B] de stelling van [partij A] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, stelt de rechtbank vast dat partijen een verdeling van 50/50 zijn overeengekomen.
Is de vof geëindigd en, zo ja, wanneer?
4.9.
Ingevolge het bepaalde in artikel 7A:1683 onder 3 BW wordt de vennootschap onder firma ontbonden door opzegging van een vennoot aan de andere vennoten. [partij A] heeft de vof opgezegd per datum dagvaarding. Van die opzeggingsverklaring is geen vernietiging gevorderd, zoals artikel 7A:1686 lid 1 BW mogelijk maakt als de opzegging in strijd met de redelijkheid en billijkheid is geschied. [partij B] gaat uit van een eerdere ontbindingsdatum (31 december 2024) omdat de samenwerking toen feitelijk zou zijn verbroken. [partij B] heeft de vof echter niet tegen die datum opgezegd. De conclusie moet dus zijn dat de vof is ontbonden per datum dagvaarding, zijnde 14 augustus 2025.
Verdeling
4.10.
De ontbinding van de vof brengt mee dat de vennootschapsrechtelijke gemeenschap moet worden verdeeld. Nu het partijen zelf niet lukt daarover afspraken te maken, zal de rechtbank een beslissing nemen. Bij de vaststelling van de verdeling op grond van artikel 3:185 BW Pro moet de rechter naar billijkheid rekening houden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan wat partijen over en weer hebben gevorderd en de rechter hoeft niet expliciet in te gaan op wat partijen aanvoeren. Niet in geschil is dat [partij B] beoogt de onderneming (als eenmanszaak) voort te zetten. [partij A] heeft ter zitting aangegeven dat zij daarmee akkoord is. [partij B] is daarom in beginsel aan [partij A] een overnamevergoeding verschuldigd. Als de onderneming wordt voorgezet is vereffening niet aan de orde.
Inbreng
4.11.
Bij een verdeling van een ontbonden vof is het uitgangspunt dat de vennoten hun inbreng van gelden en goederen in de vof terugontvangen. Normaliter komt de waarde van deze inbreng tot uitdrukking in de kapitaalrekeningen. In dit geval kan worden vastgesteld dat de in de jaarrekeningen opgenomen kapitaalrekeningen niet de weergave bevatten van hetgeen is ingebracht. [partij A] heeft ter zitting verklaard dat de vof is gestart met sieraden die [partij B] heeft verkregen in de periode dat hij hierin via Ebay handelde, hetgeen niet uit de kapitaalrekening blijkt. De eventuele inbreng zal dus op een andere wijze moeten worden vastgesteld.
4.12.
[partij A] heeft bij dagvaarding gesteld dat zij horloges en armbanden in de vof heeft ingebracht. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [partij A] hieraan toegevoegd dat zij tevens een erfenis en schenkingen van haar ouders heeft ingebracht. [partij B] heeft deze inbreng gemotiveerd betwist. Hij heeft toegelicht dat er weliswaar geld door [partij A] werd overgeboekt, maar dat dit in de administratie werd geboekt als een lening en ook als lening weer werd afgelost. Volgens [partij B] was er geen financiële inbreng van [partij A] anders dan deze leningen. [partij A] heeft haar stellingen op dit punt niet concreet onderbouwd.
Niet in geschil is dat uit de administratie van de vof niet blijkt van enige inbreng door [partij A] . De conclusie is dat er geen sprake is van inbreng door [partij A] waarmee bij de verdeling rekening moet worden gehouden.
4.13.
[partij B] stelt dat hij bij de start van de onderneming een privécollectie horloges en sieraden ter waarde van € 117.644,92 heeft ingebracht, ter onderbouwing waarvan hij de producties 21 en 22 heeft overgelegd. Volgens [partij B] heeft hij in de periode van 2012 tot en met 2017 ook nog privégoederen ter waarde van € 66.024,35 ingebracht, ter onderbouwing waarvan hij heeft gewezen op mutaties op de grootboekrekening 1940 genaamd ‘R/C [partij B] ingebracht uit privé collectie’. Daarnaast heeft [partij B] een verklaring van registeraccountant de heer [registeraccountant] MSc (hierna: [registeraccountant] ), de huidige accountant van de onderneming overgelegd (productie 34 van de zijde van [partij B] ).
Uit deze verklaring blijkt volgens [partij B] dat de inbreng van zijn privécollectie via de inkoop is geboekt in de beginjaren (2006-2009) en dat deze losstaat van de in grootboekrekening 1940 geboekte inbreng die vanaf 2012 als zodanig is geadministreerd. [partij B] concludeert dat hij in totaal voor € 192.512,- aan goederen heeft ingebracht.
[partij A] betwist niet dat [partij B] bij de start van de vof een privécollectie sieraden en horloges heeft ingebracht, maar volgens haar is de omvang van deze inbreng niet aangetoond.
4.14.
De rechtbank overweegt als volgt. De verklaring van [registeraccountant] luidt, voor zover nu van belang, als volgt:
“Op uw verzoek geven wij hierbij een toelichting op onze analyse van de verantwoording van de inbreng van uw privé collectie in uw onderneming [bedrijfsnaam] te ‘s-Gravenhage.
Concrete boekingen 2012-2017
In de jaren 2012 tot en met 2017 zijn er concrete boekingen aanwezig op grootboekrekening #1940 waaruit blijkt dat de heer [partij B] vanuit zijn privé-collectie voorraad heeft ingebracht in de onderneming. Het totaal van deze boekingen, en de hiermee geregistreerde waarde van de inbreng,
€ 66.024,35. Een specificatie hiervan is bijgevoegd.
Analyse periode 2006-2012
De onderneming was echter al vanaf 2006 actief. In deze jaren zijn omzetten in de jaarstukken verantwoord terwijl er tegelijkertijd een zeer beperkte voorraadwaarde op de balans werd verantwoord. Bedrijfseconomisch is dit een bijzondere verhouding, vanwege het feit dat de omloopsnelheid in deze typologie bedrijven zeer laag is. Uit de recente jaarstukken (2023 en 2024) van de onderneming blijkt een omloopsnelheid van ongeveer 4 jaar. Dat betekent dat een artikel gemiddeld 4 jaar op voorraad ligt voordat deze wordt verkocht.
Sinds het begin van de onderneming registreert u uw verkopen in een excel spreadsheet, waarbij de inkoopwaarde naast de omzet wordt geregistreerd. Hiermee heeft u een zeer duidelijke registratie ten behoeve van de onderbouwing van de aangiften omzetbelasting. Echter, een gevolg van deze manier van administreren is dat er geen controleerbare voorraadadministratie is. De voorraad wordt in dat soort gevallen achteraf, op basis van een opgave, verwerkt op de balans van de onderneming. Een ander patroon, dat zeer duidelijk uit de cijfers blijkt, is dat praktisch alle in de onderneming gerealiseerde winsten besteed zijn aan aankoop van voorraadartikelen. De privé opnames zijn in alle jaren (tot en met 2024) zeer beperkt.
Gelet op bovenstaande en het feit dat de resultaten in de eerste jaren van de onderneming negatief waren, is het zeer waarschijnlijk dat de inkoopwaarde van de omzet in de eerste jaren niet is ingekocht bij derden, maar voortkomt uit uw privécollectie. Uitgaande van onderstaand overzicht betreft het een bedrag van € 126.488,--. Tezamen met de op grootboekrekening # 1940 geboekte – privé inbreng van € 66.024,-- betreft het een totale inbreng vanuit de privé collectie van € 192.512.
Omzet
inkoopwaarde
Brutowinst
Voorraad
Nettowinst
2006
2.089
1.307
782
-
-2.127
2007
42.42
28.088
13.332
-1330
2008
58.5
28.403
30.097
8.88
5.09
2009
90.889
68.69
22.199
13.445
-10.501
192.898
126.488
66.41
22.325
-9.868
Voortvloeiend hierop betekent deze conclusie dat een bedrag van € 126.488, -- niet in uw
ondernemingsvermogen is berekend.”
4.15.
De rechtbank constateert dat de door [registeraccountant] genoemde inkoopwaarde van
€ 126.488 het door [partij B] genoemde bedrag van € 117.644,92 aan horloges en sieraden benadert. Het verschil tussen deze bedragen is echter niet toegelicht. Met de door [partij B] overgelegde gedetailleerde overzichten (producties 21 en 22) en de analyse van [registeraccountant] , in onderlinge samenhang bezien, heeft [partij B] naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd dat hij voor een totaalbedrag van € 117.644,92 aan goederen heeft ingebracht in de eerste jaren van de vof. [partij A] heeft de juistheid van deze gegevens niet gemotiveerd weersproken. [partij A] heeft evenmin de juistheid van de boekingen in de periode 2006-2012 tot een bedrag van € 66.024 weersproken. Dit een en ander leidt de rechtbank tot de vaststelling dat [partij B] voor een bedrag van (€ 117.644,92 + € 66.024 =) € 183.668,92 aan sieraden en horloges in de vof heeft ingebracht. Als de onderneming door [partij B] wordt overgenomen, zal deze inbreng in mindering moeten worden gebracht op de te verdelen waarde van de onderneming.
Waardebepaling
4.16.
Partijen zijn het erover eens dat de waarde van onderneming in belangrijke mate wordt bepaald door de bedrijfsvoorraad van de juwelierszaak. Zij zijn het ook erover eens dat de waardebepaling van de bedrijfsvoorraad moet plaatsvinden door een ervaren juwelen/edelstenen taxateur en dat de waarde van de onderneming moeten worden bepaald door een deskundige op het gebied van bedrijfswaardering.
4.17.
Aangezien [partij B] na ontbinding van de vof de onderneming heeft voortgezet en om toedeling aan hem heeft verzocht, dient te worden afgerekend op basis van de
going concernwaarde, inclusief de goodwill van de vof. De peildatum voor de waardebepaling is in beginsel de dag van verdeling. [2] In dit geval neemt de rechtbank echter 14 augustus 2025 als waardepeildatum, omdat de vof per die datum is ontbonden en [partij B] de onderneming heeft voortgezet. Per die datum zal ook een eindbalans moeten worden opgesteld om vast te stellen of er nog winst of verlies over 2025 in de verdeling moet worden betrokken.
4.18.
Partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om bij akte bij voorkeur een gezamenlijk voorstel voor de te benoemen deskundigen te doen. Als partijen niet tot een gezamenlijk voorstel kunnen komen, moeten zij in hun akten ingaan op de personen die door de wederpartij worden voorgesteld waarbij eventuele bezwaren tegen deze personen moeten worden gemotiveerd. In dat geval zal de rechtbank, na weging van de bezwaren, zelf deskundigen selecteren. Dit kan een door partijen aangedragen deskundige zijn, maar de rechtbank kan ook zelf een andere deskundigen voorstellen. In dat laatste geval krijgen partijen nog de gelegenheid om zich over die voorgestelde andere deskundigen uit te laten.
4.19.
De rechtbank is voornemens om aan de te benoemen deskundigen de volgende vragen voor te leggen:
Aan de taxateur:
- Wat is de waarde van de bedrijfsvoorraad van de vof Rocks en Clocks per 14 augustus 2025?
Aan de deskundige op het gebied van bedrijfswaardering:
- Kunt u de eindbalans van de vof bepalen per 14 augustus 2025? Als u de eindbalans niet kunt bepalen, dient u gemotiveerd aan te geven waarom dat niet mogelijk is;
- Is er nog sprake winst of verlies over 2025 over de periode tot 14 augustus 2025 die in de verdeling moet worden betrokken?
- Wat is de waarde van onderneming [bedrijfsnaam] per 14 augustus 2025 (inclusief eventuele goodwill), uitgaande van een voortzetting van die onderneming door [partij B] ?
- Zijn er andere elementen die van belang zijn voor de verdeling van de vof?
Aan beide deskundigen:
- Heeft u naar aanleiding van uw bevindingen nog opmerkingen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van deze zaak?
Over deze vraagstelling kunnen partijen zich in de te nemen akten uitlaten.
Afgifte administratie?
4.20.
In het kader van het deskundigenonderzoek zullen de deskundigen toegang moeten hebben tot de administratie en bankgegevens van de vof. Daarover zijn partijen het ook eens. [partij A] heeft onvoldoende toegelicht dat zij hiernaast ook belang heeft bij afgifte van de administratie aan haarzelf. Haar vordering onder XIV zal daarom in zoverre worden afgewezen.
Kosten van het onderzoek
4.21.
Aangezien beide partijen belang hebben bij de afwikkeling van de vof, zullen zij de kosten van het deskundigenbericht gezamenlijk – dat wil zeggen: ieder de helft - moeten voorschieten. In het eindvonnis wordt bij de beslissing over de proceskosten bepaald wie de kosten uiteindelijk moet dragen.
4.22.
De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan.

5.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
5.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van 3 juni 2026 voor akte uitlating als bedoeld onder de rechtsoverwegingen 4.18 en 4.19;
5.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Amperse en in het openbaar uitgesproken op 20 mei 2026.
Type: 1554

Voetnoten

1.Hoge Raad 5 januari 1934, NJ 1934, p. 1578.
2.Hoge Raad 23 november 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB6176.