ECLI:NL:RBDHA:2026:12769

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25234
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 106 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en schadevergoeding

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was opgelegd met het oog op het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van een asielaanvraag.

Eiser voerde aan dat de detentie een verkapte uitzettingsmaatregel was, terwijl hij een asielprocedure had lopen, en dat de maatregel eerder had moeten worden opgeheven. De rechtbank stelde vast dat de maatregel niet gericht was op uitzetting, maar op het verkrijgen van noodzakelijke gegevens, en dat de zware en lichte gronden voor bewaring voldoende waren onderbouwd.

De rechtbank oordeelde dat de maatregel tijdig was opgeheven, conform vaste jurisprudentie, en dat er geen onrechtmatigheid was. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25234

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 4 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 8 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.K. BenSmail. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk was met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. De detentie van 4 tot en met 8 mei 2026 was een verkapte detentie, gericht op uitzetting, terwijl eiser een asielprocedure had lopen. Daarnaast betwist eiser zware grond 3a. Hij is namelijk via een Dublinoverdracht Nederland binnengekomen. Verder had verweerder kunnen en moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Tot slot wijst eiser erop dat hij op 6 mei 2026 zijn asielverzoek heeft ingetrokken. Verweerder had eerder dan 8 mei 2026 de maatregel moeten omzetten.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw ten grondslag heeft gelegd aan oplegging van de maatregel en dat de maatregel niet is gericht op uitzetting, maar met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Eiser heeft niet geconcretiseerd waarom deze grondslag niet zou kloppen en ook is niet gebleken van uitzettingshandelingen die onverenigbaar zijn met de maatregel.
7. De rechtbank stelt verder vast dat de zware gronden 3b, 3c en de lichte gronden niet worden betwist. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om het risico op onttrekking en belemmering of ontwijking van de uitzettingsprocedure aanwezig te achten. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer. In hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft verweerder bovendien geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen. De enkele stelling van eiser dat hij niet zal vluchten is daarvoor onvoldoende, te meer omdat hij eerder met onbekende bestemming is vertrokken.
8. Eiser heeft op 4 mei 2026 een asielaanvraag ingediend en is op diezelfde datum in bewaring gesteld. Eiser heeft op 6 mei 2026 zijn asielaanvraag ingetrokken. Volgens vaste rechtspraak [1] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is verweerder gehouden om in gevallen als deze uiterlijk op de tweede dag de maatregel van bewaring op te heffen. Verweerder heeft op 8 mei 2026 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven (en een nieuwe maatregel opgelegd). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de maatregel van 4 mei 2026 daarmee tijdig opgeheven.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [2] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1869.
2.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.