ECLI:NL:RBDHA:2026:12767

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
NL26.25232
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 106 VwArt. 5.1b VbArt. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel vreemdelingenbewaring en verzoek om schadevergoeding afgewezen

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde dat zijn plaatsing in een observatiecel onrechtmatig was en dat zijn mentale problemen de bewaring onevenredig maakten. Tevens betwistte hij de zware grond 3k en stelde dat het vertrekgesprek zonder tolk onzorgvuldig was verlopen.

De rechtbank oordeelde dat zij niet bevoegd was om te oordelen over de plaatsing in de observatiecel, omdat dit onder een andere rechtsgang valt. De zware grond 3k werd door de rechtbank als terecht beoordeeld, mede gelet op het niet verschijnen bij gehoor en vertrekgesprek en het ontbreken van pogingen tot overdracht. De mentale problemen van eiser gaven geen aanleiding tot een lichter middel.

Ten aanzien van het vertrekgesprek concludeerde de rechtbank dat communicatie zonder tolk mogelijk was omdat beide partijen een gemeenschappelijke taal spraken, vermoedelijk Engels, en dat er geen aanwijzingen waren voor miscommunicatie. De rechtbank zag geen onrechtmatigheid in de tenuitvoerlegging van de bewaring en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel vreemdelingenbewaring en het verzoek om schadevergoeding worden afgewezen wegens het ontbreken van onrechtmatigheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25232

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.G.A.M. Halfers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.J. Versteeg).

Procesverloop

1. Bij besluit van 4 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
Verweerder heeft op 11 mei 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser voert kort samengevat het volgende aan. Eiser is vanwege zijn mentale problemen in een observatiecel geplaatst. Dit was een schending van artikel 8 van Pro het EVRM [1] , het recht op bescherming van zijn privéleven. Daarnaast voert eiser aan dat zijn mentale problemen de bewaringsmaatregel onevenredig maken. Verweerder had daarom een lichter middel moeten opleggen. Daarnaast bestrijdt eiser zware grond 3k. Verweerder heeft niet aan eiser tegen kunnen werpen dat hij op 24 april 2026 willens en wetens de vrijwillige overdracht heeft gefrustreerd door zich uit te kleden en weg te rennen. Niet is uitgesloten dat eiser op dat moment in een psychose verkeerde. Tot slot voert eiser aan dat niet duidelijk is in welke taal het vertrekgesprek van 6 mei 2026 is gevoerd. Er is geen gebruik gemaakt van een (register)tolk en eiser betwist dat de regievoerder van DT&V [2] Krio spreekt. Dat is onzorgvuldig geweest. Dit is van belang, omdat mede op grond van dit gesprek wordt bezien of er feiten en omstandigheden zijn die ertoe leiden dat eiser niet langer in detentie kan verblijven.
5. De rechtbank overweegt als volgt.
6. De rechtbank is niet bevoegd om een oordeel te vellen over de plaatsing van eiser in een observatiecel. Deze grond gaat namelijk over de wijze waarop feitelijk uitvoering wordt gegeven aan het regime binnen het detentiecentrum waar eiser in bewaring is gesteld. Daarvoor staat volgens vaste jurisprudentie [3] van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) een andere rechtsgang open.
7. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder de zware grond 3k aan eiser heeft mogen tegenwerpen. Weliswaar blijkt uit de overgelegde stukken dat eiser mentale problemen heeft, maar niet dat hij op 24 april 2026 in een psychose verkeerde of helemaal niet wist wat hij deed. Bovendien heeft verweerder bij zware grond 3k ook meegewogen dat eiser niet is verschenen bij zijn aanmeldgehoor van 13 februari 2026 en het vertrekgesprek van 30 maart 2026. Daarnaast heeft eiser geen enkele poging ondernomen om zijn overdracht aan Duitsland te realiseren.
8. Gelet op artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb zijn vorengenoemde gronden en de daarbij gegeven motivering voldoende om een significant risico op onderduiken aanwezig te achten. Verweerder heeft in de mentale problemen van eiser geen aanleiding hoeven zien voor het toepassen van een lichter middel. Niet is gebleken dat eiser niet bij de medische dienst van het detentiecentrum terechtkon.
9. Ten aanzien van het vertrekgesprek oordeelt de rechtbank als volgt. In het verslag van het vertrekgesprek staat niet dat een tolk aanwezig was bij het gesprek. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de regievoerder en eiser met elkaar communiceerden in een taal die beiden verstonden. Verweerder heeft op zitting uitgelegd dat vertrekgesprekken vaker zonder tolk worden gedaan als de regievoerder en de vreemdeling dezelfde taal spreken. Meestal is dit in het Engels. Hoewel dit niet in het verslag is vermeld, gaat de rechtbank ervanuit dat dit ook bij eiser het geval was. Redengevend daarvoor is dat uit het bestreden besluit blijkt dat eiser de Engelse taal machtig is en het Krio verwant is aan het Engels. [4]
10. Daarnaast leidt de rechtbank uit het verslag van het vertrekgesprek af dat eiser en de regievoerder elkaar goed konden begrijpen en verstaan. Gesteld noch gebleken is dat er op enig moment sprake is geweest van miscommunicatie tussen eiser en zijn gesprekspartner. Daarom is ook niet gebleken dat er sprake is van onzorgvuldigheid.
11. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe de rechtbank gehouden is, [5] ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is geweest. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
2.Dienst Terugkeer en Vertrek.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1710.
4.Bestreden besluit, bladzijde 8.
5.Zie de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647.