Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12696

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 mei 2026
Publicatiedatum
20 mei 2026
Zaaknummer
SGR 25/8911
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SW 1956Art. 3.119a Wet IB 2001Art. 3.111 Wet IB 2001Art. 6:11 AwbArt. 33a SW 1956
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep op verhoogde schenkingsvrijstelling voor lening eigen woning

Eiseres ontving in 2020 een schenking van haar ouders ter kwijtschelding van een lening die zij in 2016 was aangegaan voor de aankoop van haar eigen woning. De lening was aflossingsvrij en had een looptijd van 30 jaar. Eiseres deed bij de aangifte schenkbelasting een beroep op de eenmalig verhoogde vrijstelling voor de eigen woning volgens artikel 33, onder 5, sub c van de Successiewet 1956.

De Belastingdienst wees dit beroep af omdat de lening niet kwalificeerde als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001. Eiseres maakte bezwaar tegen deze beslissing, maar dit werd eveneens afgewezen. De rechtbank oordeelde dat het aangiftebiljet en de toelichting duidelijk maken dat de vrijstelling niet van toepassing is zonder een eigenwoningschuld. Eiseres had voldoende onderzoek moeten doen naar de voorwaarden, waaronder de aflossingsvereisten.

Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat er geen in rechte te beschermen vertrouwen was gewekt dat de vrijstelling van toepassing zou zijn. Ook was het beroep ontvankelijk ondanks een termijnoverschrijding, omdat eiseres mocht uitgaan van een latere termijn in een verminderingsbesluit. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het beroep op de verhoogde vrijstelling voor de schenking wordt ongegrond verklaard omdat de lening niet kwalificeert als eigenwoningschuld en het vertrouwensbeginsel niet van toepassing is.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 25/8911

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

13 mei 2026 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 21 oktober 2025 op het bezwaar van eiseres tegen de opgelegde aanslag schenkbelasting 2020.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2026.
Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar vader. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr [medewerker belastingdienst 2].

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

De ontvankelijkheid
Verweerder stelt dat het beroep niet-ontvankelijk is, omdat het beroepschrift buiten de beroepstermijn van zes weken is ingediend. De rechtbank overweegt dienaangaande dat, nu in dit verband in beginsel moet worden uitgegaan van de dagtekening van de oorspronkelijke uitspraak op bezwaar [1] , te weten 21 oktober 2025, het bezwaar inderdaad buiten de beroepstermijn van zes weken is ingediend. Echter, kort daarna (met dagtekening 4 november 2025) is aan eiser een verminderingsbeslissing toegezonden die is geduid als “
Beslissing op bezwaarSchenkbelasting 2020”, waarop wederom een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen en waarop onder het kopje
‘Binnen welke termijn moet u uw beroepschrift indienen?’specifiek staat vermeld “Uw beroepschrift moet voor 16 december 2025 door de rechtbank zijn ontvangen”. Gelet hierop kan eiseres niet worden verweten of aangerekend dat zij bij het indienen van het beroepschrift laatstgenoemde termijn heeft aangehouden. Onder die omstandigheden kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat eiseres bij het indienen van het beroepschrift in verzuim is geweest en is de termijnoverschrijding verschoonbaar [2] . Het beroep is dus ontvankelijk.
Daar komt bij dat eiseres haar vader ter zitting heeft verklaard dat eiseres de uitspraak op bezwaar van 21 oktober 2025 nooit heeft ontvangen, waarbij hij ook de verzending van dat stuk ter discussie heeft gesteld en heeft betwist. Verweerder heeft dienaangaande verklaard dat die uitspraak op bezwaar niet aangetekend is verzonden en dat hij de verzending van dat stuk dus ook niet kan bewijzen. Ook dit maakt dat niet kan worden geconcludeerd dat het beroep te laat is ingediend. Het beroep is dus ook om die reden niet niet-ontvankelijk.
De schenking en vrijstelling
1. Op 6 december 2020 heeft eiseres een schenking vrij van recht ter hoogte van € 103.643 ontvangen van haar ouders (de schenking). De schenking betreft een gedeeltelijke kwijtschelding van een lening die eiseres in 2016 bij haar ouders is aangegaan voor de eigen woning (de Lening). De Lening was verzekerd met een recht van eerste hypotheek en is aan eiseres verstrekt om haar in staat te stellen om in 2016 de eigen woning te kopen; het geld is direct door de ouders van eiseres overgeboekt naar de derdenrekening van de notaris die de levering van de woning heeft begeleid. Blijkens de conceptakte had de Lening een looptijd van 30 jaar en is deze aflossingsvrij; er is geen sprake van periodieke tussentijds aflossingen.
2. Voor de schenking is in de aangifte schenkbelasting een beroep gedaan op de eenmalig verhoogde vrijstelling ten behoeve van de eigen woning van artikel 33, onder 5, sub c van de Successiewet 1956 (SW 1956) (oud) (de Vrijstelling).
3. Bij de aanslagregeling heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de Vrijstelling niet van toepassing is. Aldus is de aanslag schenkbelasting aan eiseres opgelegd zonder toepassing van een verhoogde vrijstelling.
4. Eiseres heeft tegen het niet toekennen van de Vrijstelling bezwaar gemaakt, welk bezwaar verweerder bij de bestreden uitspraak op bezwaar heeft afgewezen. Wel heeft verweerder daarbij – overeenkomstig het subsidiair gedane verzoek van eiseres in de bezwaarfase – de eenmalig verhoogde vrijstelling van € 26.457 toegepast en de aanslag schenkbelasting 2020 dienovereenkomstig verlaagt.
5. In geschil is of de Vrijstelling van toepassing is. Meer specifiek is in geschil of door het invullen van de aangifte schenkbelasting 2020, waarin een beroep is gedaan op deze vrijstelling, bij eiseres het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de Vrijstelling van toepassing is. De rechtbank beantwoordt deze vragen ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
6. Niet in geschil is dat de Lening niet kwalificeert als een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001, en dat daardoor de onderwerpelijke kwijtschelding volgens de wettelijke regeling niet voldoet aan de voorwaarde om te worden aangemerkt als een schenking waarvoor de vrijstelling ten behoeve van de eigen woning kan worden toegepast [3] . In zoverre is de conclusie van verweerder, dat de Vrijstelling op deze schenking volgens een juiste toepassing van de wet- en regelgeving niet van toepassing is, terecht.
7. Eiseres stelt dat zij desondanks recht heeft op toepassing van de Vrijstelling, omdat bij haar door het invullen van het aangifteformulier schenkbelasting 2020, meer specifiek vraag 3, in samenhang bezien met de toelichting behorende bij het aangiftebiljet, het in rechte te beschermen vertrouwen is gewekt dat de Vrijstelling van toepassing is. Eiseres stelt daarbij dat zij het aangiftebiljet tezamen met de toelichting stap voor stap en zeer zorgvuldig heeft doorgenomen en dat daaruit voor haar duidelijk bleek dat de Vrijstelling in de onderhavige situatie wel van toepassing is. Meer specifiek blijkt uit het aangiftebiljet en de toelichting niet dat de Lening moest kwalificeren als een ‘eigenwoningschuld’ in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001 om voor de vrijstelling in aanmerking te komen. De rechtbank volgt eiseres daarin niet en overweegt daartoe het volgende.
8. Zoals verweerder ter zitting ook onweersproken heeft aangevoerd, staan in de toelichting bij de aangifte bij dit onderwerp (bij de vraag of de eenmalige vrijstelling voor de eigen woning van toepassing is) specifiek de begrippen ‘eigen woning’ en ‘eigenwoningschuld’ vermeld. Dit zijn, zoals verweerder ter zitting ook terecht heeft benoemd, belastingtechnische begrippen die zijn gedefinieerd in de belastingwetgeving, meer specifiek in de artikelen 3.111 en 3.119a van de Wet IB 2001. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat in samenhang bezien daarmee, het aangiftebiljet tezamen met de toelichting duidelijk is. Daaruit blijkt namelijk dat de Vrijstelling in een geval als dit (waarbij dus geen sprake is van een eigenwoningschuld in de zin van artikel 3.119a van de Wet IB 2001) niet van toepassing is. Voor eiseres had dit redelijkerwijs ook duidelijk en bekend moeten zijn. Op eiseres rust in een geval als dit, waarbij zij immers gebruik wil maken van een (forse) vrijstelling, de plicht om voldoende onderzoek te doen naar de voor de bewuste vrijstelling geldende eisen. Eiseres had in dit verband ook nader onderzoek moeten doen naar in de toelichting genoemde begrippen ‘eigen woning’ en ‘eigenwoningschuld’. Dit geldt temeer daar dit zulke relevante begrippen betreffen in de fiscaliteit rondom de eigen woning en de daarmee gerelateerde regelingen zoals bijvoorbeeld de Vrijstelling. Als eiseres nader onderzoek had gepleegd, was het voor haar duidelijk geweest – althans had dit redelijkerwijs duidelijk voor haar moeten zijn – dat de Vrijstelling in haar geval niet van toepassing is. Gelet op de voorwaarden waaronder de Lening is aangegaan (aflossingsvrij), was dan immers duidelijk dat niet was voldaan aan de gestelde aflossingsvereisten zoals genoemd in artikel 3.119a, eerste lid, sub b, van de Wet IB 2001. Onder voornoemde omstandigheden kan eiseres zich niet beroepen op het vertrouwensbeginsel.
9. De rechtbank overweegt verder dat ook nergens in het aangifteformulier zelf – waarvan een afschrift tot de gedingstukken behoort – iets wordt vermeld over het al dan niet van toepassing zijn van de Vrijstelling of het al dan niet hebben voldaan aan de voor de Vrijstelling gestelde voorwaarden. Uit geen van de vragen die eiseres bij het doen van aangifte heeft doorlopen en/of beantwoord/ingevuld/aangevinkt, kan worden afgeleid dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van de Vrijstelling. Ook valt anderszins in het aangiftebiljet nergens een mededeling of een bevestiging te lezen waaruit volgt dat daadwerkelijk recht bestaat op toepassing van de geclaimde Vrijstelling of dat is voldaan aan de voor die Vrijstelling geldende voorwaarden. Ook in zoverre is dus geen sprake van (een in rechte te beschermen) gewekt vertrouwen.
10. Het beroep op het vertrouwensbeginsel treft dus geen doel. Daarom is het
beroep ongegrond verklaard.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Zie o.a. HR 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1132.
2.Artikel 6:11 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
3.Zie artikel 33a SW 1956 (oud) en artikel 5 van Pro de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting (UR SW) en het goedkeurende besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 29 november 2018, nr. 2018-194402.