Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12578

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 mei 2026
Publicatiedatum
19 mei 2026
Zaaknummer
09/023814-26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid aan poging tot woninginbraak met voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf

De rechtbank Den Haag heeft op 20 mei 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van medeplegen en medeplichtigheid aan een poging tot woninginbraak op 20 januari 2026 te Sassenheim.

De rechtbank sprak verdachte vrij van medeplegen wegens onvoldoende bewijs van nauwe en bewuste samenwerking, maar veroordeelde hem voor medeplichtigheid. Verdachte reed samen met medeverdachte naar de plaats delict, wachtte in de auto terwijl medeverdachte een poging tot inbraak deed en verschaft daarmee middelen en gelegenheid.

De rechtbank oordeelde dat verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet had op medeplichtigheid, mede gelet op eerdere betrokkenheid bij soortgelijke pogingen. De straf bestaat uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uur. Tevens werd een contactverbod met medeverdachte opgelegd. De werktelefoon, sieraden en sieradendoosjes werden teruggegeven aan verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand en een taakstraf van 120 uur voor medeplichtigheid aan poging tot woninginbraak.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/023814-26
Datum uitspraak: 20 mei 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 6 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Baas en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S. Pershad naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 20 januari 2026 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en
in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door
verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer goederen
van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (de
moeder van) [aangever] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun
bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de
uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
[medeverdachte] en/of een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 20
januari 2026 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een
of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] en/of zijn
mededader(s) voorgenomen misdrijf om een of meer goederen van zijn/hun
gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n), te weten aan (de moeder van)
[aangever] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of
dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door
middel van braak, verbreking en/of inklimming, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 januari 2026
te Sassenheim, gemeente Teylingen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of
opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft, door op de
uitkijk te staan en/of de (vlucht)auto te besturen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van zowel het primair als het subsidiair ten laste gelegde feit. De verdediging stelt zich op het standpunt dat op basis van de bewijsmiddelen in het dossier niet is vast te stellen dat de verdachte betrokken is geweest bij de poging tot woninginbraak. De verdediging stelt ook dat de verdachte niets van de inbraak wist. Er was daarom geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking noch van opzet op de poging tot inbraak.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.4.
Bewijsoverwegingen
Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 20 januari 2026 in Sassenheim is aangehouden in zijn auto, terwijl medeverdachte [medeverdachte] kort daarvoor was aangehouden toen die een poging tot inbraak in een woning deed. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte kort voor de poging tot woninginbraak als bijrijder in de auto van de verdachte zat en dat de verdachte de auto bestuurde. De auto werd immers geparkeerd, waarna alleen de bijrijder is uitgestapt en de verdachte is aangehouden, terwijl hij op de bestuurdersstoel zat. Hieruit volgt dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] met de auto door Sassenheim reed en dat de verdachte in de auto bleef wachten toen [medeverdachte] was uitgestapt.
De rechtbank ziet zich gelet op het verweer van de verdediging voor de vraag gesteld of de handelingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als het ten laste gelegde medeplegen van of medeplichtigheid aan de poging tot woninginbraak.
Primair – vrijspraak medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte te kunnen vaststellen. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering van de inbraakpoging en uit het dossier blijkt niet dat de verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding. De bijdrage van de verdachte, gelegen in het enkele besturen van de auto en afzetten en opwachten van de medeverdachte, is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen.
Subsidiair – medeplichtigheid?
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd als de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de inbraakpoging.
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht (Sr), maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Als het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) is gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van zo'n voldoende verband sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. In de regel zal echter kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, bijvoorbeeld bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van voldoende verband met het gronddelict. Daarbij zijn de aard van het gronddelict, de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471 en HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1158).
De rechtbank is, gelet op hetgeen eerder is overwogen, van oordeel dat de verdachte door het besturen van de auto, het parkeren van de auto en het wachten op de medeverdachte, behulpzaam is geweest aan de inbraakpoging die [medeverdachte] die dag heeft gepleegd en hiertoe een middel (zijn auto) heeft verschaft. Als de verdachte immers niet met [medeverdachte] naar Sassenheim was gereden, had de inbraakpoging niet kunnen plaatsvinden. Daarmee heeft de verdachte het door [medeverdachte] gepleegde misdrijf bevorderd en vergemakkelijkt.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het plegen van de woninginbraak.
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte] en de verdachte samen naar Sassenheim zijn gereden en dat de verdachte in zijn auto zat te wachten toen hij werd aangehouden. Over het doel van de reis naar Sassenheim heeft de verdachte geen overtuigende verklaring kunnen geven. De verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, dat hij aan het flyeren was voor zijn bedrijf, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Deze verklaring is niet onderbouwd en vindt geen steun in het dossier. Ook is deze verklaring pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting afgelegd en niet al eerder tijdens het verhoor door de politie. Ook dat maakt de verklaring niet aannemelijk. Overigens zou het gestelde flyeren niet uitsluiten dat de verdachte (tussendoor of tegelijkertijd) behulpzaam is geweest aan de woninginbraak door [medeverdachte] af te zetten en op te wachten.
Uit het dossier volgt ook dat de verdachte eerder samen met de verdachte in verband is gebracht met pogingen tot woninginbraken. In Veenendaal is gezien dat [medeverdachte] door het raam van een vrijstaande woning keek. Toen de bewoner van deze woning [medeverdachte] zag, liep [medeverdachte] snel weg en stapte hij in de auto van de verdachte. In Opheusden is gezien dat twee mannen, onder wie [medeverdachte] , bij een vrijstaande woning naar binnen schenen en toen ze werden gestoord de omgeving verlieten in een auto van de verdachte. Later die dag zijn [medeverdachte] en de verdachte samen aangehouden in deze auto. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij zijn auto niet uitleent. Hieruit volgt dat [medeverdachte] en de verdachte in ieder geval voorverkenningen hebben gedaan ter voorbereiding op woninginbraken. Aangezien de verdachte en [medeverdachte] eerder samen zijn aangehouden moet de verdachte hebben geweten dat [medeverdachte] criminele intenties had toen hij in Sassenheim uit de auto stapte.
Geconcludeerd moet worden dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op medeplichtigheid aan de poging tot het plegen van de woninginbraak. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
[medeverdachte] op 20 januari 2026 te Sassenheim, gemeente Teylingen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, ter uitvoering van het door die [medeverdachte] en zijn mededader voorgenomen misdrijf om een of meer goederen van hun gading, in elk geval enig goed, dat/die aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde(n), te weten aan de moeder van [aangever] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en dat/die weg te nemen goed/goederen onder hun bereik te brengen door middel van braak, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij en tot het plegen van welk misdrijf verdachte op of omstreeks 20 januari 2026
te Sassenheim, gemeente Teylingen, opzettelijk behulpzaam is geweest en opzettelijk middelen heeft verschaft, door op de uitkijk te staan en de (vlucht)auto te besturen.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met medeverdachte [medeverdachte] .
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft geen standpunt ingenomen over de strafoplegging, omdat de raadsvrouw namens de verdachte vrijspraak heeft bepleit.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan een inbraakpoging. De verdachte is daarbij opzettelijk met [medeverdachte] naar Sassenheim gereden. De verdachte heeft op [medeverdachte] gewacht, terwijl [medeverdachte] een poging deed in te breken in een woning. De poging is enkel bij een poging gebleven, omdat [medeverdachte] op heterdaad werd aangehouden. [medeverdachte] is bij deze inbraakpoging berekenend te werk gegaan. Hij heeft vooraf de buurt verkend, om te zien waar mensen thuis waren en waar niet. Daaruit blijkt dat niet in een opwelling is gehandeld, maar de woning welbewust is uitgekozen. [medeverdachte] heeft een ruit vernield, opdat hij de woning kon betreden. Daardoor is schade veroorzaakt. Ook wordt door woninginbraken een inbreuk gemaakt op de privacy van de slachtoffers en wordt de slachtoffers ook een gevoel van onveiligheid bezorgd. Bovendien geven woningbraken niet alleen de bewoners een onveilig gevoel, maar dragen woninginbraken ook bij aan een gevoel van onveiligheid binnen een woonwijk. De verdachte en de medeverdachte hebben blijk gegeven van een gebrek aan respect voor andermans eigendommen en gevoel van veiligheid. Ze hebben alleen aan zichzelf en hun eigen financieel gewin gedacht.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. De verdachte is in de afgelopen jaren niet eerder voor soortgelijke strafbare feiten veroordeeld. De rechtbank ziet de verdachte daarom als first offender.
Persoon van de verdachte
Over de persoon van de verdachte is geen reclasseringsrapportage of een ander deskundigenrapport opgesteld. Op basis van het dossier en dat wat ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank dat de verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn rol bij de inbraakpoging. De rechtbank neemt in aanmerking dat de verdachte een eigen bedrijf heeft, dat hij drie jonge kinderen heeft en dat zijn partner een uitkering heeft.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is voor woninginbraken als uitgangspunt vermeld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden. Gelet op het feit dat de verdachte schuldig is aan medeplichtigheid aan een poging, zal de rechtbank het uitgangspunt van drie maanden verminderen met twee keer een derde, waardoor het uitgangspunt in dit geval uitkomt op een maand gevangenisstraf.
Als strafverzwarende omstandigheid neemt de rechtbank in aanmerking dat het feit in vereniging is gepleegd.
De rechtbank acht, alles afwegende, een voorwaardelijke gevangenisstraf van een maand en een taakstraf van 120 uren passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarde een contactverbod met [medeverdachte] . Een wat langere taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank passend, omdat de rechtbank geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt. De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf wel passend, enerzijds om de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
Deze straf is lager dan de straf die is geëist door de officier van justitie, omdat de rechtbank de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid bewezen verklaart. Ook is het oriëntatiepunt voor woninginbraken dat de rechtbank als uitgangspunt hanteert lager dan de straf die voor woninginbraken wordt genoemd in de strafvorderingsrichtlijnen van het Openbaar Ministerie.

7.De in beslag genomen voorwerpen

7.1.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft teruggave gevorderd van de werktelefoon van de verdachte en van de sieraden en sieradendoosjes die tijdens de huiszoeking in beslag zijn genomen. Ook heeft de verdediging teruggave gevorderd van een geldbedrag dat tijdens de huiszoeking in beslag zou zijn genomen.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de werktelefoon, sieraden en sieradendoosjes moeten worden teruggegeven aan de verdachte. Ten aanzien van het geld heeft de officier van justitie aangegeven dat hij daar geen informatie over heeft en dat hij daar dus niks over kan zeggen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
Op grond van artikel 94 e.v. van het Wetboek van Strafvordering is de rechtbank gehouden om een beslissing te nemen over in beslag genomen goederen wanneer de officier van justitie of de verdediging verzoekt om een beslising.
De rechtbank stelt op basis van het procesdossier vast dat de werktelefoon, de sieraden en de sieradendoosjes in beslag zijn genomen en dat hierover door de officier van justitie nog geen beslissing is genomen. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen grond om het beslag op de werktelefoon, de sieraden en de sieradendoosjes nog langer te laten voortduren.
Op basis van het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting kan de rechtbank niet vaststellen dat een geldbedrag in beslag is genomen. Het dossier bevat geen kennisgeving van inbeslagname van geld. De verdediging heeft niet onderbouwd dat een geldbedrag in beslag is genomen. De rechtbank kan hierover daarom geen beslissing nemen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
- 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 45, 48, 49, 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals die ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
medeplichtigheid aan poging tot diefstal in een woning door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, terwijl deze diefstal vergezeld gaat van de in artikel 311, eerste lid, onder 4º en 5º, van het Wetboek van Strafrecht vermelde omstandigheden;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
1 (EEN) MAAND;
bepaalt dat die straf niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:
- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met [medeverdachte] , zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een taakstraf voor de tijd van
120 (HONDERTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van
60 (ZESTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 Sr Pro zal geschieden op 2 uren per dag;
de in beslag genomen goederen;
beveelt de teruggave van de werktelefoon, de sieraden en de sieradendoosjes aan [verdachte] .
Dit vonnis is gewezen door
mr. K.M. de Groes, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. B.J. Stil, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 20 mei 2026.