3.4.Bewijsoverwegingen
Op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het dossier stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 20 januari 2026 in Sassenheim is aangehouden in zijn auto, terwijl medeverdachte [medeverdachte] kort daarvoor was aangehouden toen die een poging tot inbraak in een woning deed. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de medeverdachte kort voor de poging tot woninginbraak als bijrijder in de auto van de verdachte zat en dat de verdachte de auto bestuurde. De auto werd immers geparkeerd, waarna alleen de bijrijder is uitgestapt en de verdachte is aangehouden, terwijl hij op de bestuurdersstoel zat. Hieruit volgt dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte] met de auto door Sassenheim reed en dat de verdachte in de auto bleef wachten toen [medeverdachte] was uitgestapt.
De rechtbank ziet zich gelet op het verweer van de verdediging voor de vraag gesteld of de handelingen van de verdachte kunnen worden aangemerkt als het ten laste gelegde medeplegen van of medeplichtigheid aan de poging tot woninginbraak.
Primair – vrijspraak medeplegen
De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezen verklaard, wanneer is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Ook wanneer het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn. Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal in dergelijke gevallen moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding.
De rechtbank is van oordeel dat het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte te kunnen vaststellen. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering van de inbraakpoging en uit het dossier blijkt niet dat de verdachte betrokken is geweest bij de voorbereiding. De bijdrage van de verdachte, gelegen in het enkele besturen van de auto en afzetten en opwachten van de medeverdachte, is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde medeplegen.
Subsidiair – medeplichtigheid?
Vervolgens dient de rechtbank de vraag te beantwoorden of de gedragingen van de verdachte kunnen worden gekwalificeerd als de subsidiair ten laste gelegde medeplichtigheid aan de inbraakpoging.
De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in art. 48, aanhef en onder 1° of 2º van het Wetboek van Strafrecht (Sr), maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader gepleegde misdrijf (het gronddelict). Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader verrichte handelingen, ook als het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan. Onder die precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan, is ook begrepen of het gronddelict al dan niet in deelneming wordt begaan; op die deelnemingsvorm behoeft het opzet van de medeplichtige dus niet te zijn gericht.
Als het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige niet (volledig) is gericht op het gronddelict, moet het misdrijf waarop het opzet van de medeplichtige wel was gericht, voldoende verband houden met het gronddelict. Of van zo'n voldoende verband sprake is, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. In de regel zal echter kunnen worden aangenomen dat dit verband bestaat als het misdrijf waarop het (voorwaardelijk) opzet van de medeplichtige was gericht, een onderdeel vormt van het gronddelict, bijvoorbeeld bij een misdrijf dat is begaan onder strafverzwarende omstandigheden. Ook in andere gevallen kan sprake zijn van voldoende verband met het gronddelict. Daarbij zijn de aard van het gronddelict, de aard van de gedraging van de medeplichtige en de overige omstandigheden van het geval van belang (vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO4471 en HR 27 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1158). De rechtbank is, gelet op hetgeen eerder is overwogen, van oordeel dat de verdachte door het besturen van de auto, het parkeren van de auto en het wachten op de medeverdachte, behulpzaam is geweest aan de inbraakpoging die [medeverdachte] die dag heeft gepleegd en hiertoe een middel (zijn auto) heeft verschaft. Als de verdachte immers niet met [medeverdachte] naar Sassenheim was gereden, had de inbraakpoging niet kunnen plaatsvinden. Daarmee heeft de verdachte het door [medeverdachte] gepleegde misdrijf bevorderd en vergemakkelijkt.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of de verdachte opzet (al dan niet in voorwaardelijke zin) heeft gehad op het plegen van de woninginbraak.
Uit het dossier volgt dat [medeverdachte] en de verdachte samen naar Sassenheim zijn gereden en dat de verdachte in zijn auto zat te wachten toen hij werd aangehouden. Over het doel van de reis naar Sassenheim heeft de verdachte geen overtuigende verklaring kunnen geven. De verklaring van de verdachte, afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting, dat hij aan het flyeren was voor zijn bedrijf, is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden. Deze verklaring is niet onderbouwd en vindt geen steun in het dossier. Ook is deze verklaring pas tijdens het onderzoek ter terechtzitting afgelegd en niet al eerder tijdens het verhoor door de politie. Ook dat maakt de verklaring niet aannemelijk. Overigens zou het gestelde flyeren niet uitsluiten dat de verdachte (tussendoor of tegelijkertijd) behulpzaam is geweest aan de woninginbraak door [medeverdachte] af te zetten en op te wachten.
Uit het dossier volgt ook dat de verdachte eerder samen met de verdachte in verband is gebracht met pogingen tot woninginbraken. In Veenendaal is gezien dat [medeverdachte] door het raam van een vrijstaande woning keek. Toen de bewoner van deze woning [medeverdachte] zag, liep [medeverdachte] snel weg en stapte hij in de auto van de verdachte. In Opheusden is gezien dat twee mannen, onder wie [medeverdachte] , bij een vrijstaande woning naar binnen schenen en toen ze werden gestoord de omgeving verlieten in een auto van de verdachte. Later die dag zijn [medeverdachte] en de verdachte samen aangehouden in deze auto. De verdachte heeft tijdens het onderzoek ter terechtzitting verklaard dat hij zijn auto niet uitleent. Hieruit volgt dat [medeverdachte] en de verdachte in ieder geval voorverkenningen hebben gedaan ter voorbereiding op woninginbraken. Aangezien de verdachte en [medeverdachte] eerder samen zijn aangehouden moet de verdachte hebben geweten dat [medeverdachte] criminele intenties had toen hij in Sassenheim uit de auto stapte.
Geconcludeerd moet worden dat de verdachte op zijn minst voorwaardelijk opzet heeft gehad op medeplichtigheid aan de poging tot het plegen van de woninginbraak. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.