ECLI:NL:RBDHA:2026:12542
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen bewaring vreemdeling en afwijzing schadevergoeding
Eiser maakte bezwaar tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring was inmiddels opgeheven, waardoor de rechtbank zich beperkte tot de vraag of eiser recht heeft op schadevergoeding wegens onrechtmatige bewaring.
Eiser stelde dat hij onrechtmatig was staande gehouden en opgehouden, en dat de bewaring op een onjuiste grondslag was gebaseerd. De rechtbank oordeelde dat er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond omdat eiser ondanks bevelen niet naar Duitsland was teruggekeerd, waar hij een verblijfsrecht had. De staandehouding en ophouding waren daarom rechtmatig.
Verder was voldaan aan de voorwaarden voor bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000. De minister hoefde geen lichter middel toe te passen omdat eiser niet meewerkte aan zijn vertrek naar Duitsland. De rechtbank vond geen aanwijzingen dat de bewaring onrechtmatig was geweest en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.