Eiser diende op 8 april 2025 een asielaanvraag in bij de minister van Asiel en Migratie. De minister heeft niet binnen de wettelijke beslistermijn op deze aanvraag beslist. De rechtbank oordeelt dat eiser vanaf de datum van de aanvraag in de nationale procedure zat, ondanks dat de minister pas op 28 oktober 2025 vaststelde dat eiser geen nationale bescherming meer genoot in Frankrijk. Deze vertraging is voor rekening van de minister.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken alsnog een besluit heeft genomen. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond. De rechtbank legt een nieuwe beslistermijn van zestien weken op, conform het ‘8+8 wekenmodel’ van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000,-. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.