Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12270

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.11192
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 DublinverordeningArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en Zwitserland

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Zwitserland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank oordeelt dat het voornemen voldoende is gemotiveerd en voldoet aan de eisen, met duidelijke redenen waarom Zwitserland verantwoordelijk is en waarom artikel 17 van Pro de Dublinverordening niet wordt toegepast.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet langer geldt vanwege ernstige problemen in Zwitserse asielcentra, onderbouwd met rapporten en artikelen. De rechtbank stelt echter vast dat de minister op grond van het vertrouwensbeginsel mag uitgaan van de naleving van internationale verplichtingen door Zwitserland, mede ondersteund door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het claimakkoord met Zwitserland.

De rechtbank wijst ook het verweer af dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de door eiser aangevoerde omstandigheden in samenhang met artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De minister heeft de verklaringen van eiser meegenomen bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel, waardoor een aparte beoordeling onder artikel 17 niet Pro nodig is.

Het beroep wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter A.G.D. Overmars en griffier H.A. van der Wal.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen en eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.11192

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. M. Rasul),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]
1.2.
Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. [2]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank is van oordeel dat het beroep kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van de aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het voornemen
3. Eiser voert aan dat het voornemen niet zorgvuldig tot stand is gekomen en dat het een standaard voornemen betreft. Eiser verwijst daarbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 3 juni 2024 [3] . Uit die uitspraak volgt dat het doel van de voornemenprocedure is om de vreemdeling in de gelegenheid te stellen zijn zienswijze naar voren te brengen. Ook dient het voornemen voldoende te zijn toegespitst op de individuele vreemdeling en de dragende overwegingen te bevatten. Daarvan is geen sprake.
4. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het voornemen de dragende overwegingen bevat en daarom voldoet aan de gestelde eisen. Zo is in het voornemen voldoende duidelijk uiteen gezet op grond van welke redenen Zwitserland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser en ook waarom er door de minister geen aanleiding wordt gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening in behandeling te nemen.
Het interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat ten aanzien van Zwitserland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In de zienswijze heeft hij aangevoerd dat er sprake is van ernstige en aanhoudende problemen met discriminatie, racisme en geweld in de Zwitserse asielcentra. Eiser verwijst daarbij naar een aantal artikelen, waaronder het AIDA rapport van mei 2025, een artikel van InfoMigrants en een rapport van Amnesty International, beide van april 2025. Eiser stelt daarnaast dat de minister expliciete garanties had moeten vragen ten aanzien van de opvang en asielprocedure, in het bijzonder gelet op de verklaringen en de overgelegde foto’s van eiser.
6. De rechtbank overweegt dat de minister er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel op mag vertrouwen dat Zwitserland zich aan zijn internationale verplichtingen houdt. [4] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan.
6.1.
Eiser is daar niet in geslaagd. Uit de onder voetnoot 4 genoemde uitspraken van de Afdeling [5] volgt dat ervan kan worden uitgegaan dat Zwitserland zijn internationale verplichtingen nakomt. Het door eiser genoemde AIDA rapport van mei 2025 is daarbij meegewogen. Door de Afdeling zijn geen latere uitspraken gedaan waarin anders is geoordeeld. Uit de door eiser aangehaalde (deels verouderde) rapporten en het artikel van InfoMigrants komt naar het oordeel van de rechtbank geen wezenlijk ander beeld naar voren dan de landeninformatie die de Afdeling bij haar uitspraken heeft betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit niet dat Zwitserland zich niet aan zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal houden. Daar komt bij dat de Zwitserse autoriteiten met het claimakkoord hebben gegarandeerd het asielverzoek van eiser in behandeling te nemen conform de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. In wat eiser heeft aangevoerd, heeft de minister geen aanleiding hoeven zien aanvullende garanties te vragen. Wanneer eiser na overdracht toch problemen ervaart, ligt het op de weg van eiser daarover te klagen bij de aangewezen instanties. Er is niet gebleken dat deze mogelijkheid voor eiser niet bestaat.
Artikel 17 van Pro de Dublinverordening
7. Eiser stelt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Dit omdat Zwitserland zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Eiser verwijst daarbij naar eerdergenoemd AIDA rapport. Daarnaast stelt eiser dat de minister heeft nagelaten de door hem in de zienswijze geschetste ervaringen in samenhang met de genoemde artikelen te beoordelen.
8. Ook deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het besluit voldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing is gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De rechtbank volgt eiser daarnaast niet in de stelling dat de minister de door hem geschetste omstandigheden in samenhang met de genoemde artikelen had moeten beoordelen. De minister heeft de verklaringen van eiser meegenomen in de vraag of ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Deze hoeven niet nogmaals te worden betrokken bij de beoordeling in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. [6]

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser mag worden overgedragen aan Zwitserland. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Zaaknummer NL26.11193.
4.Zie de uitspraken van 24 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:265 (bevestiging van de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 13 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10833) en 10 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4864 (bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond van 22 augustus 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27782).
5.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van