Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.12182 en NL26.12183
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:83 AwbArt. 17 DublinverordeningArt. 18 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening

Eiser, een Pakistaanse asielzoeker, diende op 16 september 2025 een asielaanvraag in Nederland in. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling op grond van de Dublinverordening. De minister baseerde dit op Eurodac-gegevens waaruit bleek dat eiser op 25 april 2024 al een asielverzoek in Duitsland had ingediend.

Eiser stelde dat de minister ten onrechte geen gebruik had gemaakt van artikel 17 van Pro de Dublinverordening, waarmee Nederland de behandeling van de asielaanvraag naar zich toe kan trekken. Hij verwees naar zijn deelname aan een grote geloofsgemeenschap in Nederland en het feit dat zijn asielverzoek in Duitsland was afgewezen. De rechtbank oordeelde echter dat deze omstandigheden onvoldoende waren om de overdracht aan Duitsland als onevenredig hard te beschouwen.

De rechtbank benadrukte dat de minister een ruime discretionaire bevoegdheid heeft om te besluiten of een asielaanvraag onverplicht aan Nederland wordt toegekend. De stellingen van eiser waren onvoldoende concreet en onderbouwd om af te wijken van de standaardtoepassing van de Dublinverordening. Het beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt afgewezen en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt eveneens afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.12182 (beroep) en NL26.12183 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser],
geboren op [geboortedag] 1978, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. H. Loth), en
de minister van Asiel en Migratie,verweerder (hierna: de minister).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Bij besluit van 4 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist.
1.3.
De rechtbank doet op grond van artikelen 8:54, eerste lid en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.
3. De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. Eiser heeft op 16 september 2025 (de datum zoals venneld op het M35H-formulier) asiel aangevraagd in Nederland. De minister heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). Volgens de minister zijn de autoriteiten in Duitsland verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op 25 april 2024 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. De minister heeft daarom op 11 november 2025 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, en onder d, van de Dublinverordening. [1] Op 13 november 2025 hebben de Duitse autoriteiten het verzoek niet aanvaard. Op 28 november 2025 heeft de minister Duitsland opnieuw verzocht om eiser terug te nemen. De Duitse autoriteiten hebben dit verzoek op 1 december 2025 aanvaard. De verantwoordelijkheid van Duitsland voor eisers asielaanvraag is daarmee vast komen te staan.
4.1.
Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Eiser neemt deel in een grote geloofsgemeenschap in Nederland, [naam]. Daarnaast is het verzoek van eiser om internationale bescherming in Duitsland afgewezen. De minister heeft deze informatie ten onrechte niet betrokken. In het kader van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel had de minister alle feiten en omstandigheden moeten betrekken. Eiser verwijst hierbij naar de arresten van het Hof [2] van 9 juli 2015 [3] en van 7 november 2018. [4] De Dublinverordening schrijft niet voor dat van de bevoegdheid uit artikel 17 terughoudend Pro en slechts in zeer uitzonderlijke situaties gebruik wordt gemaakt. De Dublinverordening geeft de lidstaten een algemene bevoegdheid om de behandeling van een asielverzoek naar zich toe te trekken. De keuze van de minister om zeer terughoudend van de bevoegdheid van artikel 17 van Pro de Dublinverordening gebruik te maken is niet het doel van de Uniewetgever geweest, aldus eiser. De minister had in het geval van eiser dan ook zijn verklaringen inhoudelijk moeten onderzoeken en betrekken bij de beoordeling of toepassing had moeten worden gegeven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister geen aanleiding heeft hoeven zien om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Dat wat eiser heeft aangevoerd, levert geen zodanig bijzondere en individuele omstandigheden op dat zijn overdracht aan Duitsland van een onevenredige hardheid getuigt. Het enkele feit dat Duitsland zijn asielaanvraag heeft afgewezen heeft eiser verder niet onderbouwd. Eiser heeft enkel in het aanmeldgehoor verklaard dat hij asiel heeft aangevraagd in Duitsland en dat zijn aanvraag is afgewezen. Vast staat echter dat de Duitse autoriteiten verantwoordelijk zijn voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Met het claimakkoord hebben de Duitse autoriteiten immers gegarandeerd het asielverzoek (wederom) in behandeling te nemen. Ook de stelling dat eiser deel uitmaakt van de [naam] gemeenschap, wordt door eiser niet nader onderbouwd. De minister heeft zich in dit verband in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen feiten en/of omstandigheden aanwezig zijn op grond waarvan Nederland eisers asielverzoek onverplicht aan zich zou moeten trekken. Verder heeft eiser zijn stelling, dat het niet de bedoeling van de Uniewetgever zou zijn geweest om artikel 17 van Pro de Dublinverordening terughoudend en alleen in bijzondere situaties te gebruiken, niet geconcretiseerd. In dit verband merkt de rechtbank op dat de bevoegdheid om gebruik te maken van artikel 17 van Pro de Dublinverordening is voorbehouden aan de lidstaten en niet is onderworpen aan enige specifieke voorwaarde. [5] De minister heeft dus een ruime discretionaire bevoegdheid om te besluiten of zij een asielaanvraag onverplicht aan zich trekt. [6] Ten slotte gaat de rechtbank ook niet mee in de stelling van eiser dat de minister aan de hand van alle feiten en omstandigheden aan het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel had moeten toetsen. De door eiser in dat verband genoemde arresten gaan niet over de Dublinverordening en kunnen deze stelling alleen daarom al niet onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is kennelijk ongegrond.
6. Omdat de rechtbank met deze uitspraak op het beroep beslist, is geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om die reden af.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak met zaaknummer NL26.12182: verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak met zaaknummer NL26.12183: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.F.A.M. Smeets, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Verordening (EU) nr. 604/2013.
2.Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Zie de zaak C-153/14, N2015/232 (K. en A.).
4.Zie de zaak C-257/17, N2019/2 (C. en A.).
5.Zie het arrest van 18 april 2024, A.H.Y., ECLI:EU:C:2024:334.
6.Zie bijvoorbeeld de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3900.