Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:12192

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
18 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24185
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b VwArt. 59 VwArt. 15 TerugkeerrichtlijnArt. 5.1b VreemdelingenbesluitRichtlijn 2008/115/EG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is op 22 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 7 mei 2026, waarbij eiser niet aanwezig was vanwege een vervoersfout, maar later op 12 mei 2026 alsnog werd gehoord.

Eiser voerde aan dat de bewaring onrechtmatig was omdat de periode van bewaring op grond van artikel 59b meegeteld moest worden bij de maximale bewaringsduur volgens de Terugkeerrichtlijn, verwijzend naar het arrest Aroja van het Hof van Justitie. De rechtbank oordeelde dat de bewaring op grond van artikel 59b niet valt onder de Terugkeerrichtlijn en dus niet meetelt voor de maximale termijn. Ook het beroep op het arrest Adrar faalde omdat de maatregel niet gericht was op uitzetting maar op de behandeling van een asielaanvraag.

De minister had de bewaring gebaseerd op zware en lichte gronden uit het Vreemdelingenbesluit, die eiser niet betwistte. De rechtbank vond deze gronden voldoende om de maatregel te dragen. Hoewel de detentie zwaar valt voor eiser, was er geen aanleiding om de bewaring als onevenredig bezwarend te beschouwen. De rechtbank concludeerde dat het opleggen en voortduren van de maatregel niet onrechtmatig was en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24185

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)

(gemachtigden: mr. V.R. Bloemberg en mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Bij besluit van 22 april 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 7 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser was weliswaar opgeroepen, maar het vervoer was door een misverstand vanuit het detentiecentrum geannuleerd. Eiser was daardoor niet aangevoerd naar de rechtbank. Eisers gemachtigde was wel aanwezig, evenals een van de gemachtigden van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek na inhoudelijke behandeling vervolgens geschorst, zodat kon worden nagegaan of eiser alsnog gehoord zou willen worden. Eisers gemachtigde heeft op diezelfde dag aangegeven graag nog een nadere mondelinge behandeling te willen.
De rechtbank heeft het onderzoek op 12 mei 2026 vervolgens voortgezet en eiser gehoord. Daarbij waren de gemachtigde van eiser en een van de gemachtigden van de minister aanwezig. Als tolk is verschenen Z. Hamidi. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Marokkaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1991.
2. Eiser doet een beroep op het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 5 maart 2026 [1] en stelt dat de minister uiterlijk op 5 maart 2026, namelijk zes maanden na 7 september 2025, een verlengingsbesluit zoals bedoeld in artikel 59, zesde lid, van de Vw had moeten nemen. Volgens eiser volgt uit het arrest namelijk dat zowel de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59, eerste lid, van de Vw in bewaring zat als de periode waarin eiser op de grondslag van artikel 59b van de Vw in bewaring zit, moeten worden betrokken in het berekenen van de maximale termijn zoals bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn [2] . Dat volgt uit punt 58 uit het arrest, aldus eiser. Ter ondersteuning wordt verwezen naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats [3] en zittingsplaatsen Utrecht [4] en Haarlem [5] . Nu de minister geen verlengingsbesluit heeft genomen, is de bewaring vanaf 5 maart 2026 onrechtmatig.
2.1.
Uit het arrest Aroja blijkt dat voor de berekening van de maximale termijn van zes maanden in de zin van artikel 15, vijfde lid, van de Terugkeerrichtlijn, alle perioden die een vreemdeling ter uitvoering van hetzelfde terugkeerbesluit in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht bij elkaar moeten worden opgeteld. In punt 58 van het arrest staat dat ook de periode waarin de uitvoering van het verwijderingsbesluit is geschorst wegens de behandeling van een verzoek om internationale bescherming, moet worden meegeteld. Het Hof van Justitie van de Europese Unie wijst daarbij op punten 40, 47 en 48 van het arrest Kadzoev [6] . Daaruit blijkt dat wat in punt 58 van het arrest Aroja staat slechts van toepassing is als de bewaringsmaatregel is gebaseerd op artikel 15, vijfde en zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn. De perioden van eventuele maatregelen van bewaring op een andere grondslag dan de Terugkeerrichtlijn tellen dan ook niet mee voor de berekening van de genoemde maximale termijn van zes maanden [7] .
2.2.
De minister heeft op 22 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. De grondslag van deze maatregel is gelegen in de Opvangrichtlijn [8] . Dit betekent dat de periode waarin eiser op deze grondslag in bewaring is gesteld, niet meetelt voor de berekening van de maximale periode van zes maanden. Niet in geschil is dat op 22 april 2026 nog niet de maximale termijn van zes maanden was overschreden ten aanzien van de opgelegde maatregelen op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het gaat namelijk om 131 dagen. Er bestaat voor de rechtbank daarom geen aanleiding om te oordelen dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. De verwijzing naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats en zittingsplaatsen Utrecht en Haarlem volgt de rechtbank niet aangezien het in de aangehaalde uitspraken gaat om een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt niet.
3. Eiser doet verder een beroep op het arrest Adrar van het Hof van 4 september 2025 [9] . Volgens eiser voldoet de maatregel van bewaring niet aan de in het arrest genoemde vereisten. De minister dient te onderzoeken of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Uit de M110 blijkt dat eiser daarover niet is bevraagd en is er ook geen motivering over opgenomen in de maatregel van bewaring. In de maatregel van bewaring wordt wel gesproken over de zus van eiser in Nederland. Eiser zou hebben aangegeven niet te weten waar zij woont, maar dat is onjuist. Bovendien zijn de zus en neef van eiser aanwezig geweest bij eerdere zittingen. Er kan hierdoor niet worden vastgesteld of de minister het refoulementrisico dan wel het recht op familie- of gezinsleven van eiser heeft beoordeeld, aldus eiser.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister niet was gehouden om een non-refoulement beoordeling te doen. Onderhavige maatregel van eiser is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vw nu eiser een (nieuwe) asielaanvraag heeft ingediend. De maatregel van bewaring is daarmee niet gericht op de terugkeer van eiser naar Marokko, maar op de behandeling van zijn asielaanvraag en een eventuele gerechtelijke procedure tegen de afwijzing daarvan. De beroepsgrond slaagt niet.
4. In de maatregel van bewaring heeft de minister verder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3g. in het Nederlandse rechtsverkeer gebruik heeft gemaakt van valse of vervalste documenten;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4.1.
De zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd zijn door eiser niet betwist. De rechtbank ziet ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden, in samenhang bezien, de maatregel van bewaring niet kunnen dragen.
4.2.
De minister heeft ook onderdeel c van artikel 59b, eerste lid, van de Vw aan de bewaring ten grondslag gelegd. Dit onderdeel heeft eiser eveneens niet bestreden. De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat de minister eiser in bewaring kon stellen op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b van de Vw en één grondslag voor de bewaring is voldoende.
5. Tot slot begrijpt de rechtbank dat de detentie eiser zwaar valt. Eiser heeft last van stressklachten, piekert veel en kan daardoor slecht slapen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel om die reden onevenredig bezwarend te achten. Niet is gebleken dat eiser met zijn medische klachten niet terecht kan bij de medische dienst van het detentiecentrum of dat medische zorg daar voor eiser tekortschiet. Dat het voor eiser lastig is vanuit detentie aan (bewijs)stukken te komen om zijn asielrelaas te onderbouwen, betreurt de rechtbank. De rechtbank benadrukt dat eiser zich daarvoor kan wenden tot zijn advocaat of, zoals de minister ter zitting ook heeft aangegeven, Vluchtelingenwerk Nederland.
6. Ook met inachtneming van de ambtshalve toets waartoe de rechtbank is gehouden,
ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het opleggen of voortduren van de
maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van B.S. Beens, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ECLI:EU:C:2026:148.
2.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008.
6.ECLI:EU:C:2009:741.
7.Zie in dit verband ook punt 45 van het arrest Kadzoev, waaruit volgt dat bewaring met het oog op verwijdering die in richtlijn 2008/115 wordt geregeld en de bewaring van een asielzoeker die met name krachtens de richtlijnen 2003/9 en 2005/85 en de toepasselijke nationale bepalingen wordt gelast, onder afzonderlijke rechtsregelingen vallen.
8.Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013.
9.ECLI:EU:C:2025:647.