ECLI:NL:RBDHA:2026:1217

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL24.27169
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor verblijf bij partner en risico op refoulement

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner. De rechtbank oordeelt dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt zoals vereist door artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Tevens heeft verweerder niet beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag op grond van het mvv-vereiste in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt en dat er onvoldoende is gekeken naar het risico op refoulement bij terugkeer naar Iran. Eiser, die de Iraanse nationaliteit heeft, heeft een zoon die in Iran woont en is bezorgd over zijn veiligheid bij terugkeer. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op om de afwijzing van de aanvraag en het terugkeerbesluit opnieuw te beoordelen. Eiser krijgt gelijk en het beroep is gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.27169 (beroep) en NL23.13329 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de meervoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser/verzoeker, hierna: eiser

(gemachtigde: mr. I.C. van Krimpen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kennis).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning voor verblijf bij partner. Eiser is het niet eens met de afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn [1] heeft gemaakt. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte niet beoordeeld of de afwijzing van de aanvraag op grond van het mvv-vereiste in strijd is met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. Verweerder heeft ook niet goed gemotiveerd waarom de belangenafweging bij de boordeling of eiser zijn gezinsleven in Nederland moet kunnen uitoefenen, in het nadeel van eiser uitvalt. Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder had moeten beoordelen of er sprake is van een risico op refoulement. Uit het arrest Ararat kan niet worden afgeleid dat verweerder het refoulementrisico niet hoefde te beoordelen omdat eiser niet eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Het refoulementverbod moet bij ieder terugkeerbesluit worden geëerbiedigd. De rechtbank volgt verweerder ook niet in zijn subsidiaire standpunt dat van het terugkeerbesluit alleen kan worden afgezien als er aanstonds, en zonder diepgaand onderzoek, onmiskenbaar blijkt dat er sprake is van een risico op refoulement. Voor deze wijze van toetsen van het risico op refoulement biedt de Terugkeerrichtlijn [2] geen aanknopingspunten. De rechtbank komt tot het oordeel dat verweerder, met betrekking tot het besluit dat eiser moet terugkeren naar Iran, niet goed heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen risico loopt op refoulement. Eiser krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf bij zijn partner [referente] , verder te noemen referente. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 17 april 2023 afgewezen. Dit besluit is ook een terugkeerbesluit. Met het bestreden besluit van 13 juni 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft eiser een verzoek ingediend tot het treffen van een voorlopige voorziening.
2.2.
Het beroep en het verzoek zijn op de zitting van 7 juli 2025 behandeld. Nadat het onderzoek is gesloten, heeft de rechtbank het onderzoek heropend en het beroep en het verzoek voor verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.
2.3.
De meervoudige kamer van de rechtbank heeft de behandeling van het beroep op de zitting van 30 oktober 2025 voortgezet. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
2.4.
Het verzoek om een voorlopige voorziening is per abuis niet geagendeerd voor de zitting van 30 oktober 2025. Partijen hebben ter zitting echter toestemming gegeven om het onderzoek in het verzoek te sluiten zonder een behandeling daarvan op zitting en tegelijk met het beroep uitspraak op het verzoek te doen. De voorzieningenrechter heeft het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling?
3. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit en is geboren op [datum] 1984. Referente is afkomstig uit Iran en heeft zowel de Iraanse als de Nederlandse nationaliteit. Eiser stelt dat hij referente heeft leren kennen via de app Bigo in april 2020. Zij hebben elkaar voor het eerst in persoon ontmoet in Turkije in 2021. Van 1 mei 2022 tot 29 juli 2022 heeft eiser bij referente in Nederland verbleven. Op 13 december 2022 is eiser opnieuw naar Nederland gereisd en woont sindsdien bij referente. Eiser wil graag zijn gezinsleven in Nederland uitoefenen.
3.1
Eiser heeft een zoon, genaamd [naam] . Hij woont in Iran bij zijn grootouders, de ouders van eiser. [naam] is gehandicapt. Eiser heeft het eenzijdig gezag over [naam] .
Wat is het standpunt van verweerder?
4. De aanvraag is afgewezen omdat eiser niet in het bezit is van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eiser komt niet voor vrijstelling daarvan in aanmerking. De uitzetting levert volgens verweerder geen strijd op met het recht op het uitoefenen van het gezins- of privéleven als bedoeld in artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Er is een belangenafweging gemaakt en deze belangenafweging is in het nadeel van eiser uitgevallen. Verweerder ziet geen aanleiding om de hardheidsclausule toe te passen.
Heeft verweerder terecht geen belangenafweging gemaakt als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Volgens eiser is de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing in zijn zaak. Eiser vindt steun voor dit standpunt in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 5 januari 2023. [3]
5.1
Anders dan op de zitting van 7 juli 2025, heeft verweerder op de zitting van 30 oktober 2025 het standpunt ingenomen dat eiser erin kan worden gevolgd dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt als bedoeld in artikel 17. Verweerder verzoekt de rechtbank hem in de gelegenheid te stellen om dit gebrek te herstellen met een bestuurlijke lus.
5.2
De rechtbank volgt partijen erin dat de Gezinsherenigingsrichtlijn van toepassing is en dat verweerder ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt als bedoeld in artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. Er is sprake van een motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen met toepassing van een bestuurlijke lus. Het bestreden besluit heeft meer gebreken. Naar het oordeel van de rechtbank lenen deze gebreken zich niet voor een herstel met een bestuurlijke lus, onder meer omdat nader onderzoek nodig is.
Is de afwijzing van de aanvraag op grond van het mvv-vereiste in strijd met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel?
6. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte niet heeft beoordeeld of de tegenwerping van het mvv-vereiste in overeenstemming is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Eiser vindt steun voor zijn standpunt in het arrest Yӧn [4] van het Hof van 7 augustus 2018 en de uitspraak van de Afdeling van 29 maart 2019. [5] Eiser heeft aangevoerd dat de veiligheidssituatie in Iran ernstig is verslechterd na de dood van Mahsa Amini, dat hij en referente in Duitsland hebben deelgenomen aan demonstraties tegen het Iraanse regime en dat Iran zijn onderdanen in het buitenland monitort. Deze omstandigheden zijn op zichzelf wellicht niet voldoende voor een vrijstelling van het mvv-vereiste, maar in combinatie met het feit dat aan de materiële voorwaarden voor inwilliging van de aanvraag is voldaan, kan dit er wel toe leiden dat de beslissing om gezinshereniging te weigeren afbreuk zou doen aan het doel en nuttig effect van de Gezinsherenigingsrichtlijn en zou daarmee strijd opleveren met het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel.
6.1
Verweerder stelt zich op het standpunt dat alle door eiser aangevoerde omstandigheden in de besluitvorming zijn betrokken, namelijk in het kader van de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM, in het kader van de hardheidsclausule en in het licht van eisers gestelde vrees voor refoulement met betrekking tot het terugkeerbesluit. De omstandigheden zijn beoordeeld en verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat die geen aanleiding geven om af te zien van het afwijzen van de aanvraag op grond van het mvv-vereiste.
6.2
De rechtbank acht dit standpunt van verweerder niet juist. De rechtbank is van oordeel dat de belangenafweging die moet worden gemaakt in het kader van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel een andere weging is dan die in het bestreden besluit is gemaakt. In de uitspraak van 29 maart 2019 heeft de Afdeling het volgende overwogen:
“4.3. Uit het arrest Yön volgt dat het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel vereist dat de regels voor de uitvoering van de verplichting voor een vreemdeling om vóór binnenkomst te beschikken over een visum, niet verder gaan dan noodzakelijk is om het daarmee nagestreefde doel te verwezenlijken. Onder bepaalde omstandigheden, waaronder een vanwege gezondheidsproblemen van een vreemdeling bijzondere afhankelijkheid van referent in combinatie met het feit dat een vreemdeling aan alle materiële vereisten voldoet, kan volgens het Hof toepassing van dit visumvereiste in strijd zijn met dit beginsel.
(…)
4.5 (…)
Concreet betekent dit het volgende. Indien een vreemdeling dergelijke feiten en omstandigheden aanvoert die op zichzelf genomen niet voldoende zijn om in aanmerking te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste, moet de staatssecretaris beoordelen of het onevenredig bezwarend zou zijn om vast te houden aan het mvv-vereiste indien die vreemdeling daarnaast aan alle materiële vereisten zou voldoen. Uit het arrest Yön volgt immers dat de staatssecretaris al deze omstandigheden in hun onderlinge samenhang moet beoordelen. Indien de staatssecretaris vervolgens tot de conclusie komt dat vasthouden aan het mvv-vereiste in zo'n geval inderdaad onevenredig bezwarend zou zijn, zal hij vervolgens toekomen aan de vraag of die vreemdeling ook daadwerkelijk aan alle materiële vereisten voldoet. Indien het antwoord op die vraag bevestigend is, zal de staatssecretaris die vreemdeling, onder toepassing van de hardheidsclausule, vrij moeten stellen van het mvv-vereiste. De vraag of een vreemdeling aan alle materiële vereisten voor gezinshereniging voldoet kan in zo'n geval dus niet pas aan de orde komen nadat de staatssecretaris de vreemdeling heeft vrijgesteld van het mvv-vereiste, maar speelt al een rol bij de beantwoording van de vraag of die vreemdeling van dat vereiste moet worden vrijgesteld.”
Uit het bestreden besluit blijkt weliswaar dat verweerder de door eiser aangevoerde omstandigheden binnen verschillende kaders bij zijn beoordeling heeft betrokken, als losse onderdelen, maar uit het bestreden besluit blijkt niet dat verweerder de omstandigheden in onderlinge samenhang heeft beoordeeld dan wel tot welke weging deze beoordeling heeft geleid. Een beoordeling van de omstandigheden binnen de verschillende toetsingskaders voldoet dan ook niet aan de Unierechtelijke evenredigheidstoets die het Hof voorschrijft. Verweerder heeft in zijn verweerschrift noch op zitting alsnog een nadere motivering gegeven. De beroepsgrond slaagt.
Heeft verweerder een juiste belangenafweging gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM?
7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat er gezinsleven is tussen eiser en referente. Verweerder heeft een belangenafweging gemaakt en is tot de beslissing gekomen dat deze in het nadeel uitvalt van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij heeft onder meer erop gewezen dat het voor hem en referente niet veilig is in Iran en dat referente de Nederlandse nationaliteit en een zeer goede baan in Nederland heeft. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
7.1
In de uitspraak van 27 maart 2024 [6] heeft de Afdeling overwogen dat de bestuursrechter moet toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken en, als dit het geval is, of hij zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een 'fair balance' tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Ook heeft de Afdeling in deze uitspraak overwogen dat de bestuursrechter de uitkomst van de belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. Dat betekent dat de rechtbank in zijn oordeel over het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend enigszins terughoudend moet zijn.
7.2
Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder in het voordeel van eiser heeft meegewogen dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft en een inkomen heeft. In het nadeel van eiser is meegewogen dat hij het gezinsleven in Nederland is gaan uitoefenen zonder dat hij in het bezit is van een verblijfsvergunning. Ook is hier in het nadeel van eiser bij betrokken dat hij het grootste deel van zijn leven in Iran heeft gewoond, dat hij de taal spreekt en dat hij banden heeft in Iran. Verweerder stelt zich ook op het standpunt dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Verweerder betwist niet dat er na de dood van Mahsa Amini veel onrust is in Iran, maar hieruit volgt niet dat eiser zijn gezinsleven daar niet kan uitoefenen. In eisers stelling dat Iran zijn onderdanen in het buitenland monitort ziet verweerder geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen, omdat eiser op geen enkele wijze heeft aangetoond dat hij, referente of zijn familie daadwerkelijk in de gaten worden gehouden. Eiser heeft zijn individuele vrees niet aannemelijk gemaakt. De overgelegde foto’s van deelname aan de prostesten vindt verweerder niet voldoende om dit wel aannemelijk te achten. De omstandigheid dat referente sinds haar verblijf in Nederland nooit meer in Iran heeft verbleven en maar één keer in 2017 is teruggekeerd naar Iran maakt volgens verweerder niet dat het voor haar onmogelijk zal zijn om het familieleven met eiser in Iran uit te oefenen. Dat referente in Nederland een goede baan heeft en bijdraagt aan de gezondheidszorg van Nederland, heeft verweerder in het voordeel van eiser meegewogen, maar maakt niet dat het onmogelijk voor haar zal zijn om het familieleven met eiser in Iran uit te oefenen. Eiser heeft erop gewezen dat hij hoogopgeleid is. Ook dat maakt volgens verweerder niet dat de belangenafweging in eisers voordeel moet uitvallen. Ten slotte brengt de omstandigheid dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft niet met zich mee dat daarom het uitoefenen van het gezinsleven in Nederland mogelijk gemaakt moet worden.
7.3
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met dit standpunt onvoldoende is ingegaan op de veiligheidsrisico’s die eiser en referente bij terugkeer in Iran kunnen lopen en de objectieve belemmeringen die daaruit kunnen voortvloeien om het gezinsleven in Iran uit te oefenen. Verweerder betwist niet dat er foto’s zijn gemaakt van de deelname van eiser en referente aan de protesten tegen het Iraanse regime in Duitsland. Ook betwist verweerder niet dat referente zowel de Iraanse als de Nederlandse nationaliteit heeft. Eiser heeft gewezen op informatie uit het Algemeen ambtsbericht Iran van september 2023 [7] en informatie van VluchtelingenWerk Nederland [8] waaruit blijkt dat de Iraanse autoriteiten sinds de dood van Mahsa Amini strenger controleren wie het land in- en uitreizen. Ook blijkt daaruit dat Iraanse onderdanen in het buitenland worden gemonitord en dat Iraniërs die lang in het buitenland hebben verbleven en/of een dubbele nationaliteit hebben een verhoogd risico lopen op arrestatie en detentie. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit verweerders motivering onvoldoende waarom deze omstandigheden geen objectieve belemmering opleveren om het gezinsleven in Iran te kunnen uitoefenen.
7.4
Ook is de rechtbank van oordeel dat uit de belangenafweging niet blijkt welk gewicht is toegekend aan het feit dat referente in Nederland een goede baan heeft en waarom het belang bij het bewaken van het algemene economische welzijn van de Nederlandse samenleving zwaarder weegt. Verweerder heeft enkel geconcludeerd dat het feit dat referente een goede baan heeft niet maakt dat het onmogelijk voor haar is om het familieleven met eiser in Iran uit te oefenen. Deze motivering vindt de rechtbank onvoldoende. De beroepsgrond slaagt.
7.5
De rechtbank volgt verweerder wel in zijn standpunt dat het in het belang van eisers zoon is dat eiser naar Iran terugkeert om daar de zorg voor hem te dragen. Daarnaast heeft eiser onvoldoende onderbouwd gesteld dat het voor hem onmogelijk is om in Iran onderdak en een baan te krijgen. Dit doet echter niet af aan hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen en geoordeeld.
Moest verweerder voordat hij een terugkeerbesluit oplegde onderzoeken of er sprake is van een risico op refoulement?
8. Het primaire besluit van 17 april 2023 omvat ook een terugkeerbesluit dat inhoudt dat eiser verplicht is om binnen vier weken terug te keren naar Iran.
8.1
Op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn houden de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn rekening met:
a) het belang van het kind;
b) het familie- en gezinsleven;
c) de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land,
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
8.2
Verweerder stelt zich primair op het standpunt dat het arrest Ararat [9] niet ziet op de situatie van eiser. Het arrest ziet volgens verweerder specifiek op de situatie dat in een eerdere asielprocedure een terugkeerbesluit is uitgevaardigd. In de asielprocedure is het risico op refoulement dan al beoordeeld en die beoordeling moet geactualiseerd worden. Het arrest Ararat is niet van toepassing op vreemdelingen die niet eerder een asielprocedure hebben doorlopen, zoals eiser. Als eiser meent dat sprake is van een risico op refoulement, mag van hem worden verlangd dat hij een asielaanvraag indient zodat dit risico in die procedure beoordeeld kan worden.
Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het risico op refoulement is getoetst.
Voor een beoordeling van het risico op refoulement is aansluiting gezocht bij de zogenaamde Bahaddar [10] -toets. Dit houdt in dat uit het dossier dan wel uit de door de vreemdeling zelf aangevoerde omstandigheden aanstonds en onmiskenbaar moet blijken dat het eerdere terugkeerbesluit berust op een achterhaalde beoordeling en dat sprake is van feiten en omstandigheden die lijken aan te tonen dat de vreemdeling bij terugkeer een risico loopt op refoulement. Dit moet volgens verweerder zonder diepgaand onderzoek vast te stellen zijn, omdat dit anders afbreuk zou doen aan de doeltreffendheid van het verwijderingsbeleid. Verweerder verwijst in dit verband naar de punten 40 en 50 uit het arrest Ararat. Dit toepassend op de zaak van eiser stelt verweerder zich op het standpunt dat uit het dossier dan wel uit wat eiser heeft aangevoerd niet aanstonds en onmiskenbaar blijkt dat hij bij terugkeer een risico loopt op refoulement. Het enkele feit dat eiser heeft deelgenomen aan een demonstratie in Duitsland is niet voldoende. Daaruit blijkt namelijk niet dat hij in de negatieve belangstelling van de Iraanse autoriteiten is komen te staan. De landeninformatie waar eiser naar heeft verwezen en waarin is vermeld dat personen die voor langere tijd in het buitenland hebben verbleven, bij terugkeer in Iran ondervraagd kunnen worden, ziet niet op eiser persoonlijk.
8.3
De rechtbank overweegt dat het klopt, zoals verweerder stelt, dat de situatie waarover het arrest Ararat gaat, zich in deze zaak niet voordoet. Er is hier namelijk geen in een eerdere asielprocedure vastgesteld terugkeerbesluit, in deze procedure ís het primaire besluit op een aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier een terugkeerbesluit, dat verweerder heeft gehandhaafd bij het bestreden besluit. Dit neemt echter niet weg dat uit het arrest Ararat volgt dat verweerder zich ook in deze situatie ervan moet vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen, door het terugkeerbesluit dat hij heeft vastgesteld te onderzoeken in het licht van dat beginsel. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht verweerder om in alle fasen van de terugkeerprocedure - dus ook bij het vaststellen van een terugkeerbesluit zoals verweerder in het primaire besluit heeft gedaan en bij het handhaven ervan in een besluit op bezwaar zoals in dit geval - het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. [11] Ook volgt uit het arrest Ararat dat verweerders stelling, dat van eiser mag worden verlangd dat hij een asielaanvraag indient zodat het risico op refoulement in die procedure kan worden beoordeeld, in strijd is met artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn. [12] Dat verweerder kan volstaan met een zogenoemde Bahaddar-toets, die inhoudt dat uit het dossier dan wel uit de door eiser zelf aangevoerde omstandigheden aanstonds en onmiskenbaar moet blijken dat eiser bij terugkeer een risico loopt op refoulement, kan de rechtbank niet volgen. Uit het arrest Ararat volgt immers dat verweerder de plicht heeft om zich ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen bij het vaststellen van een terugkeerbesluit. Anders dan verweerder betoogt volgt ook niet uit de punten 40 en 50 van het arrest Ararat dat hij met een Bahaddar-toets kan volstaan. In punt 40 staat namelijk dat de doeltreffendheid van het verwijderingsbeleid pleit tegen een verwijzing naar een asielprocedure om het risico op refoulement te onderzoeken. En in punt 50 staat, kort gezegd, dat de rechterlijke bescherming noch doeltreffend noch volledig zou zijn indien de nationale rechter niet verplicht zou zijn om ambtshalve vast te stellen dat het beginsel van non-refoulement is geschonden wanneer de hem ter kennis gebrachte gegevens van het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor hem gevoerde procedure op tegenspraak, lijken aan te tonen dat het terugkeerbesluit berust op een achterhaalde - of inadequate - beoordeling van het risico op refoulement. Steun voor verweerders opvatting staat niet in deze punten. De rechtbank is van oordeel dat de toets die verweerder dient te verrichten inhoudt dat hij voldoende onderzoek verricht en zorg draagt voor voldoende informatie om een beoordeling te kunnen maken of sprake is van een risico op refoulement bij terugkeer.
8.4
Verweerders standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling staat van de Iraanse autoriteiten, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd. Verweerder is namelijk niet ingegaan op het door eiser overgelegde bericht van VluchtelingenWerk Nederland van 16 mei 2025. Dit document bevat informatie over de behandeling en ondervraging van Iraniërs bij terugkeer naar Iran. Op zitting heeft verweerder enkel verwezen naar rechtspraak, maar is niet inhoudelijk op deze informatie ingegaan.
8.5
Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verweerder geen deugdelijke actuele refoulementbeoordeling heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Verweerder dient de afwijzing van eisers aanvraag en het vastgestelde terugkeerbesluit opnieuw te beoordelen. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor acht weken.
9.1.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit vernietigt, bestaat er aanleiding een voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat eiser tot vier weken na de beslissing op bezwaar niet uit Nederland wordt verwijderd.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde heeft een beroepschrift en een verzoekschrift ingediend en heeft tweemaal aan de zitting van de rechtbank deelgenomen. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 3.736,-.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 13 juni 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en bepaalt dat eiser tot vier weken na de beslissing op bezwaar niet uit Nederland wordt verwijderd;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.A.J. van Beek, voorzitter, tevens voorzieningenrechter, en mr. M. Kraefft en mr. H. Battjes, leden, in aanwezigheid van mr. S.L.L. Rovers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Richtlijn 2003/86/EG.
2.Richtlijn 2008/115/EG.
4.ECLI:EU:C:2018:632.
7.Pagina 93 en 118.
8.Bericht van 13 maart 2023.
9.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892.
10.Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 19 februari 1998, ECLI:CE:ECHR:1998:0219JUD002589494.
11.Zie punt 35 van het arrest Ararat.
12.Zie punt 40 van het arrest Ararat.