Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11983

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
NL26.24211
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortduren maatregel bewaring in vreemdelingenrechtelijke procedure

De minister legde op 4 februari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had de maatregel reeds tweemaal eerder getoetst en oordeelde toen dat de bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 24 maart 2026.

In deze procedure stond alleen de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring na 24 maart 2026 ter beoordeling. Eiser voerde aan dat uitzetting naar Nigeria niet mogelijk zou zijn vanwege het ontbreken van een psychiater bij overdracht, zoals vereist in een BMA-advies, en dat de bewaring hem zwaar valt gezien zijn medische en psychische toestand. Hij stelde dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn.

De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk zicht is op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn en dat het BMA-advies niet impliceert dat uitzetting onmogelijk is. De medische voorzieningen in het detentiecentrum zijn toereikend en de enkele stelling van eiser dat de bewaring zwaar valt, is onvoldoende om de voortzetting onrechtmatig te achten. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en griffier S. Strating en is openbaar gemaakt op 15 mei 2026. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.24211

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [v-nummer:],
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: S. Bozkurt-Chhiba).

Inleiding

1. De minister heeft op 4 februari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop op 4 mei 2026 gereageerd, waarna de minister op 7 mei 2026 een verweerschrift heeft ingediend.
1.3.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft [2] en het onderzoek op 8 mei 2026 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al tweemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 31 maart 2026 [3] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of de maatregel van bewaring rechtmatig is sinds het sluiten van dat onderzoek op 24 maart 2026.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. In dat verband verwijst eiser naar het door hem overgelegde BMA-advies, waarin als voorwaarde is opgenomen dat bij een overdracht bij aankomst in Nigeria direct een psychiater voor hem beschikbaar moet zijn. Voor zover eiser bekend is, is hierin niet voorzien. Eiser vermoedt dat niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan en concludeert dat om die reden uitzetting naar Nigeria niet mogelijk is. Daarnaast voert eiser aan dat de bewaring, gelet op zijn medische en psychische omstandigheden, hem zwaar valt en dat de voortduring van de maatregel daardoor onevenredig is. Een lichter middel, zoals het opleggen van een meldplicht, ligt daarom in de rede. Eiser stelt bereid te zijn zich aan deze meldplicht te houden.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Nigeria bestaat. Zoals ook in de vorige uitspraak is overwogen, ontbreekt zicht op uitzetting naar Nigeria binnen een redelijke termijn in zijn algemeenheid niet. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Nigeriaanse autoriteiten geen laissez-passer zullen verstrekken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat niet aan de in het BMA-advies opgenomen voorwaarde kan worden voldaan en dat uitzetting daarom niet mogelijk is. De rechtbank stelt voorop dat het BMA-advies ziet op de overdracht en niet op de vraag of de bewaring gerechtvaardigd is. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat uit het BMA-advies niet blijkt dat uitzetting naar Nigeria in het geheel onmogelijk is. Daarbij is van belang dat uit het BMA-advies volgt dat eiser slechts kan worden uitgezet als de fysieke overdracht is geregeld. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om op voorhand aan te nemen dat niet aan deze voorwaarde kan worden voldaan.
5.1.
De rechtbank ziet verder in wat eiser aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat de bewaring in de onderhavige beoordelingsprocedure voor eiser onevenredig bezwarend is geworden, dan wel dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De enkele stelling dat de bewaring hem zwaar valt en dat hij bereid is zich aan een meldplicht te houden, is hiervoor onvoldoende. Eiser kan zich verder zo nodig wenden tot de medische dienst in het detentiecentrum. Niet is aannemelijk gemaakt dat de medische voorzieningen in het detentiecentrum voor eiser ontoereikend zouden zijn.
5.2.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 24 maart 2026 op enig moment onrechtmatig was. [5]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw.
3.Zaaknummer: NL26.15201.
4.Zie de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 20 september 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2707) en 27 mei 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2418).
5.Zie ook de arresten Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) en Aroja van het Hof van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).