Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 18 juni 2025 waarin zij niet in aanmerking werd geacht voor een WIA-uitkering. Het UWV heeft niet tijdig op het bezwaar beslist, waardoor eiseres beroep instelde bij de rechtbank Den Haag.
De rechtbank constateert dat de beslistermijn van negen weken, zoals bepaald in artikel 8:55d Awb, is overschreden. Het UWV heeft een dwangsombeslissing genomen, maar nog geen inhoudelijk besluit op bezwaar. De rechtbank oordeelt dat in medische zaken waarbij een verzekeringsarts betrokken is, sprake is van een bijzonder geval dat een langere termijn kan rechtvaardigen, maar dat deze termijn maximaal negen weken mag bedragen.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een termijn van 30 weken te hanteren, omdat het tekort aan verzekeringsartsen reeds in eerdere uitspraken is meegewogen. De rechtbank bepaalt dat het UWV binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de medische beoordeling moet verrichten en binnen drie weken daarna het besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000 voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Het betaalde griffierecht en proceskosten worden aan eiseres vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 24 april 2026.