Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV van 13 februari 2025 waarin haar aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen. De rechtbank ontving het beroepschrift op 23 februari 2026, nadat het UWV niet tijdig op het bezwaar had beslist. Het UWV erkende de overschrijding en gaf als reden het tekort aan verzekeringsartsen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is omdat het UWV niet binnen de wettelijke beslistermijn van negen weken heeft beslist, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d lid 3 Awb. De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken waarin een termijn van zes weken voor de medische beoordeling en drie weken voor de besluitvorming wordt gehanteerd, met een maximum van negen weken na verzending van de uitspraak.
Het UWV krijgt de opdracht binnen deze termijn alsnog een besluit op bezwaar te nemen. Voor elke dag dat het UWV deze termijn overschrijdt, wordt een dwangsom van €100 opgelegd, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed en wordt het UWV veroordeeld tot betaling van proceskosten van €467.
De rechtbank wijst het verzoek van het UWV af om een langere termijn van 30 weken toe te passen, omdat onvoldoende onderbouwing is gegeven. De uitspraak is gedaan zonder zitting op 24 april 2026 door rechter A.C. de Winter.