Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11771

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
C/09/684285 / FA RK 25-3147
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontzegging zorgregeling moeder met minderjarige kinderen wegens ernstig beschadigd vertrouwen

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek tot verdeling van zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en moeder van twee minderjarige kinderen, geboren in 2012 en 2015. Eerder was bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de vader zou zijn. De Raad voor de Kinderbescherming bracht advies uit over het contact tussen moeder en kinderen, waarbij werd onderzocht of contact in het belang van de kinderen was en welke belemmeringen bestonden.

De kinderen hadden hun moeder al langere tijd niet gezien, respectievelijk vijf en twee jaar. Uit gesprekken en rapportages bleek dat het vertrouwen ernstig beschadigd was en de kinderen geen contact met de moeder wensten. Eerdere hulpverleningstrajecten hadden geen herstel van het contact kunnen bewerkstelligen. De rechtbank concludeerde dat het ontzeggen van het recht op een zorgregeling in het belang van de kinderen was, zodat zij rust kunnen ervaren en zich kunnen richten op hun ontwikkeling.

De rechtbank ontzegde de moeder het recht op een zorgregeling voor de duur van één jaar, met de mogelijkheid tot hernieuwd verzoek bij gewijzigde omstandigheden. De vader werd geadviseerd hulpverlening in te schakelen en de moeder mag de kinderen op hun verjaardag een kaart sturen om een toekomstig contact mogelijk te houden.

Uitkomst: De moeder wordt voor de duur van één jaar het recht op een zorgregeling met haar twee minderjarige kinderen ontzegd wegens ernstig beschadigd vertrouwen en het belang van rust voor de kinderen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-3147
Zaaknummer: C/09/684285
Datum beschikking: 14 april 2026

Verdeling zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 24 april 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C.H. Remmelink in Zoetermeer.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. Vurdelja in 's-Gravenhage.
Als informant wordt aangemerkt:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.

Procedure

Bij beschikking van 12 augustus 2025 van deze rechtbank is – voor zover nu van belang –:
- bepaald dat de minderjarigen [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] , en [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] , hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vader;
  • de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen, met in achtneming van de volgende concrete vragen:
  • is het in het belang van de kinderen dat er contact tussen hen en de moeder plaatsvindt?
  • zo ja, welke belemmeringen staan in de weg aan het bewerkstelligen van dat (onbelaste) contact op een regelmatige en duurzame wijze?
  • hoe kunnen die belemmeringen worden weggenomen?
  • is daarbij hulpverlening of begeleiding nodig voor de kinderen, de moeder en/of de vader?
  • zo ja, welke vorm van hulpverlening of begeleiding?
  • welke zorgregeling past het beste bij de belangen van de kinderen?
Voorts is iedere verdere beslissing over de zorgregeling aangehouden.
De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:
- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) van 29 januari 2026, met kenmerk SK-1-6731NRT.
De minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben zich op 16 maart 2026 in raadkamer uitgelaten over de zorgregeling.
Op 17 maart 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. De zaak is
gecombineerdbehandeld met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming tot ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met zaak- en rekestnummer: C/09/698694 / FA RK 26-162. In die laatste zaak is bij beschikking van deze rechtbank van 31 maart 2026 beslist, in die zin dat het verzoek tot ondertoezichtstelling is afgewezen.
Op de zitting zijn verschenen: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, de moeder, bijgestaan door haar advocaat, [naam 1] namens de Raad en [naam 2] namens de gecertificeerde instelling. Door de advocaat van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Advies Raad
De Raad heeft in zijn rapport ter zake van de zorgregeling het volgende geadviseerd:
  • de moeder de uitoefening van het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met [minderjarige 1] voor de duur van één jaar te ontzeggen, omdat [minderjarige 1] bij haar verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met de moeder heeft doen blijken;
  • de moeder de uitoefening van het recht op een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken met [minderjarige 2] voor de duur van één jaar te ontzeggen, omdat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van [minderjarige 2] .
Standpunt vader
De vader heeft verzocht te bepalen dat tussen de moeder en de kinderen geen zorgregeling zal plaatsvinden tot de kinderen daar emotioneel toe in staat zijn. De vader heeft zich op het standpunt gesteld, gezien het advies van de Raad, dat dit verzoek kan worden toegewezen.
Standpunt moeder
De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat het te ver gaat om het recht op een zorgregeling met de kinderen te ontzeggen. Ze heeft naar voren gebracht dat zij het contact met de kinderen echter niet zal afdwingen.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:253a, lid 2, sub a, van het Burgerlijk Wetboek (BW) een regeling kan vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, BW een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben.
De rechtbank constateert dat beide kinderen hun moeder inmiddels al langere tijd niet hebben gezien en gesproken. [minderjarige 1] al 5 jaar niet en [minderjarige 2] 2 jaar niet.
De vraag die nu voorligt is of het in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] kan worden geacht dat door de rechtbank verdere maatregelen worden getroffen om nu alsnog het contactherstel tussen de moeder en [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot stand te kunnen brengen of dat de moeder het recht op een zorgregeling moet worden ontzegd.
De rechtbank komt op grond van de huidige omstandigheden tot de conclusie dat de moeder het recht op een zorgregeling moet worden ontzegd. Zij licht dat hieronder toe.
Zoals eerder overwogen zijn reeds meerdere hulpverleningstrajecten gestart, maar hebben deze niet geleid tot een herstel en verbetering in het contact tussen de moeder en de kinderen. Zowel uit het raadsrapport, maar ook uit het gesprek dat de rechtbank met de kinderen heeft gehad, blijkt dat de kinderen zeer consistent zijn in hun houding jegens moeder en dat zij haar niet meer willen zien. De kinderen hebben negatieve ervaringen opgedaan in het verleden en het vertrouwen in moeder is ernstig beschadigd. Deze vertrouwensbreuk is tot op heden niet hersteld. De rechtbank is het met de Raad eens dat zolang er geen sprake is van hersteld vertrouwen, emotionele toestemming vanuit het systeem en voldoende draagkracht bij de kinderen contact met de moeder niet verantwoord is. Naar het oordeel van de rechtbank is er op dit moment -alle inzet van hulpverlening ten spijt- sprake van een onoverbrugbare kloof naar contactherstel. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat er rust komt en die rust komt er naar het oordeel van de rechtbank als er geen zorgregeling zal zijn tussen de moeder en de kinderen. De rechtbank vindt het in het belang van de kinderen dat zij zich kunnen richten op het kind zijn, school en de eigen wensen, zodat zij de ruimte krijgen om zich te kunnen ontwikkelen tot evenwichtige personen. De rechtbank gunt de kinderen te leren wat zij hebben meegemaakt een plek te kunnen geven en waarbij zij naar het oordeel van de rechtbank hulp zouden kunnen gebruiken. De rechtbank geeft de vader hiertoe in overweging hulpverlening daarvoor in te schakelen. De rechtbank begrijpt dat er in het ideale geval contact is met beide ouders en dat deze beslissing moeilijk zal zijn voor de moeder, maar de rechtbank vindt het mede gezien de consistentie in de mening van de kinderen belangrijker dat de kinderen rust ervaren. Gelet op het bepaalde in artikel 377a, lid 2, sub c en d, zal de rechtbank daarom de moeder het recht op een zorgregeling met de kinderen ontzeggen.
De rechtbank overweegt hierbij dat een ontzegging van het recht op een zorgregeling tussen een ouder en een kind een in tijd beperkt karakter heeft. Onder verwijzing naar de uitspraak van de Hoge Raad (HR 27 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG5045) kan in ieder geval na een periode van een jaar, of als de omstandigheden wijzigen ook eerder, een (nieuw) verzoek tot vaststelling van een zorgregeling worden ingediend.
Ten overvloede overweegt de rechtbank nog het volgende.
De rechtbank rekent erop dat als de kinderen op een gegeven moment aangeven dat zij open staan voor contact met de moeder, de vader hen daarin zal begeleiden.
De rechtbank gaat ervan uit dat de vader, de informatieregeling die de ouders in het verleden zijn overeengekomen, zal blijven nakomen. Op de zitting is met de ouders besproken dat het de moeder wel is toegestaan om de kinderen op hun verjaardag een kaartje te sturen, zodat er een lijntje met de kinderen blijft bestaan met het oog op de toekomst en voor het geval het contact tussen de moeder en de kinderen op enig moment toch nog van de grond komt.

Beslissing

De rechtbank:
ontzegt de moeder het recht op een zorgregeling met de minderjarigen:
  • [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats] ,
  • [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2015 in [geboorteplaats] .
Deze beschikking is gegeven door mr. E.D.A. Geleijns, rechter, tevens kinderrechter, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 14 april 2026.