ECLI:NL:RBDHA:2026:1177

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 januari 2026
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL26.237 en NL26.2073
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugkeerbesluit en inreisverbod met betrekking tot vreemdeling in bewaring

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 20 januari 2026, wordt de zaak behandeld van een vreemdeling die in bewaring is gesteld na een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De vreemdeling, eiser, heeft beroep ingesteld tegen deze besluiten, waarbij hij stelt dat er geen sprake is geweest van effectieve rechtsbijstand en dat hij langer dan 24 uur in een politiecel heeft verbleven. De rechtbank behandelt de argumenten van eiser en concludeert dat de minister voldoende gronden heeft om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgrond over de rechtsbijstand niet slaagt, omdat eiser zelf heeft aangegeven dat het gehoor kon beginnen zonder de aanwezigheid van zijn gemachtigde. Ook de stelling dat hij te lang in de politiecel heeft verbleven, wordt verworpen, omdat de tijd tussen de inbewaringstelling en de overdracht aan het detentiecentrum minder dan 24 uur bedraagt. De rechtbank concludeert dat de gronden voor de maatregel van bewaring voldoende zijn en dat het proces-verbaal van gehoor betrouwbaar is. Uiteindelijk worden de beroepen ongegrond verklaard en wordt het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.237 en NL26.2073

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 4 januari 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen bestreden
besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 13 januari 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Is sprake geweest van effectieve rechtsbijstand?
1. Eiser voert aan dat er geen sprake is geweest van effectieve rechtsbijstand. Piketdiensten worden in de praktijk structureel niet ingeroosterd. Zijn gemachtigde werd pas benaderd toen de twee-uurstermijn nagenoeg was verstreken. Hierdoor kon zijn gemachtigde niet tijdig bij het gehoor aanwezig zijn. Daarnaast voert eiser aan dat het verloop van het gehoor voor de inbewaringstelling onzorgvuldig is geweest. Met de verbalisant was afgesproken dat eiser, voorafgaand aan het gehoor voor de inbewaringstelling, telefonisch contact zou hebben met zijn gemachtigde. Dit is niet gebeurd. Eiser vindt dat het hem onmogelijk gemaakt is om effectief gebruik te maken van zijn recht op rechtsbijstand.
1.1.
Er zijn op 4 januari 2026 twee processen-verbaal opgesteld met betrekking tot het horen van eiser; één over het horen in verband met het bepaalde in artikel 59, 59a, of 59b van de Vw 2000 (hierna: verhoor bewaring), en één over het horen in verband met het bepaalde in artikel 62a en 66a van de Vw 2000 (hierna: verhoor terugkeerbesluit). Verder is in een proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2026 een toelichting gegeven over de gang van zaken rond het horen van eiser.
1.2.
Uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 januari 2026 volgt dat voorafgaand aan het horen van eiser over de bewaring en het terugkeerbesluit op 4 januari 2026 om 9:38 uur een piketmelding is verzonden naar de piketcentrale. De piketmelding is om 11.10 uur geaccepteerd door de gemachtigde van eiser. Voorafgaand aan het gehoor om 11:12 uur) is er telefonisch contact geweest tussen de verbalisant en de gemachtigde van eiser. De verbalisant heeft tijdens dit gesprek aangegeven (diezelfde dag) te willen starten met het gehoor tussen 12:00 uur en 12:30 uur. De gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat alvast gestart kon worden met het gehoor, en dat zij hier later bij zou aansluiten. [1] Ook blijkt hieruit dat eiser heeft aangegeven gehoord te willen worden, zonder de aanwezigheid van zijn gemachtigde. [2]
Uit beide processen-verbaal van gehoor volgt dat de gemachtigde van eiser heeft aangegeven dat gestart kon worden met het gehoor, en dat zij onderweg was naar het politiebureau. [3] Ook blijkt hieruit dat eiser akkoord heeft gegeven om – in afwezigheid van zijn gemachtigde – te starten met het gehoor. Ook ter zitting is bevestigd, dat zowel eiser als zijn gemachtigde toestemming hebben gegeven om te starten met het gehoor in afwezigheid van de gemachtigde.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze stukken niet dat is afgesproken dat voorafgaand aan het gehoor voor de inbewaringstelling, telefonisch contact zou plaatsvinden tussen eiser en zijn gemachtigde. De processen-verbaal zijn bovendien op ambtseed opgemaakt. De rechtbank heeft geen reden om niet van de juistheid van dat ondertekende proces-verbaal uit te gaan. De gemachtigde van eiser stelt dat zij op een laat tijdstip is ingeschakeld, dat zij op het politiebureau nog moest zoeken naar de verhoorruimte en pas rond 11.48 uur bij het gehoor aanwezig kon zijn. Het is te begrijpen dat zij eerder bij het horen aanwezig had willen zijn, maar de gang van zaken leidt niet tot de conclusie eiser ten onrechte in afwezigheid van een advocaat is gehoord. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft eiser te lang in een politiecel verbleven?
2. Eiser voert aan dat hij langer dan 24 uur in de politiecel heeft verbleven. Hiermee is de termijn overschreden, waardoor de maatregel onrechtmatig is.
2.1.
Eiser is na strafrechtelijke detentie op 4 januari 2026 om 09:30 uur overgenomen en opgehouden voor gehoor. [4] Vervolgens is eiser diezelfde dag om 15:25 uur in bewaring gesteld. [5] Eiser is op 5 januari 2026 om 11:15 uur opgehaald op het politiebureau om vervoerd te worden naar het detentiecentrum Rotterdam. [6]
Uit vaste rechtspraak volgt dat de beoordeling of een vreemdeling te lang in een politiecel heeft verbleven afhankelijk is van het moment van de inbewaringstelling en het moment waarop de vreemdeling, na opheffing van de inbewaringstelling of in verband met transport naar een gespecialiseerde inrichting, de politiecel heeft verlaten. [7] Eiser is op 4 januari 2026 om 15:25 uur in bewaring gesteld. Op 5 januari 2026 om 11:15 uur is hij opgehaald om vervoerd te worden naar het detentiecentrum. Hier zit minder dan 24 uur tussen. De termijn is dan ook niet overschreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
3.1.
Eiser heeft de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, niet betwist.
3.2.
Ten aanzien van de lichte grond 4f stelt de rechtbank ambtshalve vast dat de minister deze niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag mocht leggen. De Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Wav. In het dossier bevinden zich geen stukken van de Arbeidsinspectie. Hiermee is de feitelijke juistheid van deze grond onvoldoende toegelicht.
3.3.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware grond 3b en de lichte grond 4a feitelijk juist, en heeft de minister bij de lichte grond 4a voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit.
De zware grond 3b is feitelijk juist omdat eiser al ongeveer drie maanden onrechtmatig in Nederland verblijft en zich niet onmiddellijk bij de korpschef heeft gemeld toen hij Nederland binnenkwam. Verder is lichte grond 4a feitelijk juist omdat eiser geen melding heeft gedaan van zijn onrechtmatige verblijf in Nederland bij de korpschef (artikel 4.39 van het Vb 2000) en omdat hij niet onmiddellijk aan de korpschef heeft medegedeeld dat hij arbeid gaat verrichten of zoeken in Nederland (artikel 4.42, eerste lid, van het Vb 2000). De minister heeft hierbij overtuigend gemotiveerd dat eiser hierdoor bij voorbaat aantoont dat hij zich aan het toezicht op vreemdelingen onttrekt en elke vorm van voorbereiding terugkeer of verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3.4.
De zware grond 3b en de lichte grond 4a zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen.
Is het proces-verbaal van gehoor onvoldoende betrouwbaar?
4. Eiser voert aan dat het proces-verbaal van gehoor onvoldoende betrouwbaar is. De verbalisant neemt in het proces-verbaal van bevindingen op meerdere punten afstand van het proces-verbaal van gehoor.
4.1.
De minister heeft toegelicht dat aan de verbalisant is verzocht om een aanvullend proces-verbaal [8] op te stellen, waarin onder meer wordt verduidelijkt waarom het gehoor voor de inbewaringstelling hetzelfde is als het gehoor voor het terugkeerbesluit en inreisverbod. De rechtbank kan de minister hierin volgen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het aanvullende proces-verbaal slechts verduidelijking en nadere toelichting geeft. Er is niet gebleken van onzorgvuldigheden of tegenstrijdigheden in de verschillende processen-verbaal. De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
5. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, namelijk een (dagelijkse) meldplicht. Hij heeft alle inspanningen verricht die van hem verwacht mogen worden om zijn paspoort te laten bezorgen op het politiebureau in Rotterdam.
5.1.
De minister stelt dat eiser de mogelijkheid is geboden om zijn paspoort te laten brengen naar het politiebureau in Rotterdam. Dat dit uiteindelijk niet is gelukt, ondanks eisers inspanningen, geeft geen aanleiding om te oordelen dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel. De rechtbank kan de minister hierin volgen.
Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat er sprake is van een onttrekkingsrisico. Eiser heeft namelijk verklaard geen geld te hebben voor een vliegticket naar Oezbekistan. Ook heeft hij verklaard dat hij in Nederland wil blijven om te werken, onder meer om zijn schulden in Oezbekistan af te lossen. [9] De beroepsgrond slaagt niet.
Blijkt uit het terugkeerbesluit voldoende dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft?
6. Eiser voert aan dat in het terugkeerbesluit niet (voldoende kenbaar) wordt vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft. Het terugkeerbesluit is hierdoor onvoldoende gemotiveerd. Omdat het terugkeerbesluit een motiveringsgebrek kent, kan het daarop gebaseerde inreisverbod evenmin in stand blijven.
6.1.
De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat het terugkeerbesluit onvoldoende is gemotiveerd. In het terugkeerbesluit is opgenomen dat gebleken is dat de vreemdeling niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft. [10] De beroepsgrond slaagt niet. Doordat deze beroepsgrond niet slaagt hoeft de beroepsgrond dat het inreisverbod het lot van het terugkeerbesluit dient te volgen geen bespreking.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [11]

Conclusie en gevolgen

7. De beroepen zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart de beroepen ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen één weekna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op de maatregel van bewaring (beroep met zaaknummer NL26.237).
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
binnen vier wekenna de dag van bekendmaking voor zover dit ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod (beroep met zaaknummer: NL26.2073).

Voetnoten

1.Zie HV11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 1.
2.Zie HV11 Proces-verbaal bevindingen, p. 2.
3.Zie M110 Proces-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of inreisverbod, p. 2.
4.Zie M105-A Proces-verbaal van ophouding, p. 1.
5.Zie M109 Maatregel van bewaring als bedoeld in art. 59 Vw, p. 7.
6.Zie HV21 Formulier bijzonderheden zaak, p. 1.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtsrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 28 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2181.
8.Genaamd HV11 Proces-verbaal van bevindingen.
9.Zie M110 Processen-verbaal van gehoor bij bewaring-terugkeerbesluit en of reisverbod, p. 3 en 7.
10.Zie M107-A Terugkeerbesluit al dan niet gepaard met een Inreisverbod, p. 1.
11.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).