Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
1 april 2026
Publicatiedatum
13 mei 2026
Zaaknummer
C/09/699315 / FA RK 26-1324
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 1:253a BWArt. 1:377e BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wijziging zorgregeling en omgangsregeling minderjarige na echtscheiding

Partijen zijn gehuwd geweest van 2022 tot 2025 en hebben een minderjarige gezamenlijk. Na de echtscheiding is een ouderschapsplan vastgesteld waarin de moeder de hoofdverblijfplaats heeft en de vader beperkt contact. De vader verzoekt wijziging van de zorgregeling om meer contact met het kind te realiseren.

De rechtbank beoordeelt dat de huidige regeling niet haalbaar is en dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder voert bezwaren aan over het gedrag en verzorgingsbekwaamheid van de vader, maar deze worden onvoldoende onderbouwd en deels weerlegd door videomateriaal. De rechtbank acht het belang van het kind gediend bij uitbreiding van het contact met de vader, maar acht een geleidelijke opbouw noodzakelijk.

De voorlopige zorgregeling bepaalt dat het kind op donderdagen bij de vader verblijft zonder overnachtingen, met een verwijzing naar een traject Ouderschapsbemiddeling. Het verzoek tot eenhoofdig gezag voor de moeder wordt afgewezen omdat dit niet zonder inhoudelijke toetsing kan worden vastgesteld. De rechtbank houdt verdere beslissingen aan tot 1 oktober 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de zorgregeling met een voorlopige omgangsregeling voor de vader en wijst het verzoek tot eenhoofdig gezag af.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 26-1324
Zaaknummer: C/09/699315
Datum beschikking: 01 april 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 10 februari 2026 ingekomen verzoek van:

[de vader],

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. I.P. Biemond in Krimpen aan den Ijssel.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder],

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K. van der Bijl in Bodegraven.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het aanvullend verzoekschrift;
  • het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek.
Op 24 maart 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Engelse taal, S. Huiberts;
  • [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming;
  • een stagiaire van de advocaat van de vader.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2022 tot [datum 2] 2025.
  • Zij zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats].
  • Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over [minderjarige].
  • [minderjarige] en de vader hebben de Griekse nationaliteit en de moeder heeft de Italiaanse nationaliteit.
  • Bij beschikking van deze rechtbank van 16 september 2025 is de echtscheiding uitgesproken tussen partijen en is het ouderschapsplan aangehecht aan de beschikking. In dit ouderschapsplan is onder meer opgenomen dat:
  • [minderjarige] de hoofdverblijfplaats bij de moeder heeft;
  • de vader één tot twee keer per week in de ochtend of in de middag bij de moeder thuis contact heeft met [minderjarige]. Als [minderjarige] ouder is streven de ouders ernaar dat er wordt toegewerkt naar een weekendregeling waarbij [minderjarige] eens per twee weken bij de vader verblijft van vrijdagavond tot zondagavond.

Verzoek en verweer

In de bodemprocedure
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 16 september 2025 met het daaraan gehechte ouderschapsplan, in die zin dat de vader verzoekt om de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (zorgregeling) vast te stellen, waarbij:
- [minderjarige] elke donderdag van 8.00 uur tot 19.00 uur bij de vader is, waarbij de vader [minderjarige] bij de moeder ophaalt en de moeder [minderjarige] weer bij de vader ophaalt;
  • Als [minderjarige] 2 jaar oud is worden deze tijden aangepast naar donderdag 8.00 uur tot vrijdag 8.00 uur;
  • Als [minderjarige] 3 jaar oud is wordt deze regeling aangepast, in die zin dat [minderjarige] in de weekenden van de even weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader is, waarbij de ouder [minderjarige] bij de ander ophaalt;
  • [minderjarige] een weekend per 3 weken van zaterdag 9.00 uur tot zondag 19.00 uur bij de vader is, waarbij de vader 3 weken van tevoren aangeeft welk weekend dit is.
  • Buiten de reguliere regeling om:
  • [minderjarige] in de zomervakantie van 1 augustus tot 22 augustus bij de vader is;
  • [minderjarige] in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie van vrijdag 17.00 uur tot zaterdag 19.00 uur, in de oneven jaren de tweede week van de kerstvakantie van zaterdag 19.00 uur tot zondag 17.00 uur bij de vader is;
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad en kosten rechtens.
De moeder voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt:
  • te bepalen dat er begeleid contact zal plaatsvinden tussen [minderjarige] en de vader bij [instantie], met de mogelijkheid van uitbreiding naar de door de ouders overeengekomen regeling uitsluitend onder regie en begeleiding van [instantie], op basis van een positief schriftelijk advies van [instantie];
  • te bepalen dat het eenhoofdig ouderlijk gezag van de moeder over [minderjarige] in het gezagsregister wordt aangetekend, overeenkomstig de echtscheidingsbeschikking en het ouderschapsplan.
In de voorlopige voorzieningenprocedure:
De vader verzoekt bij wijze van voorlopige voorziening, zolang er op de eerder gedane
verzoeken geen eindbeschikking is afgegeven, voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad:
- te bepalen dat er contact zal zijn tussen [minderjarige] en de vader:
  • op donderdag 2 april van 11.00 uur tot 13.00 uur en donderdag 9 april van 10.00 uur tot 14.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de moeder, de vader zal dan in [plaats 1] blijven;
  • op donderdag 16 april van 10.00 uur tot 16.00 uur en donderdag 23 april van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt en weer terugbrengt bij de moeder, de vader zal dan bij zijn nicht in [plaats 2] verblijven;
  • daarna elke donderdag van 8.00 uur tot 19.00 uur waarbij de vader [minderjarige] ophaalt en de moeder [minderjarige] weer bij de vader ophaalt en als [minderjarige] 2 jaar oud is, de tijden worden aangepast naar donderdag om 8.00 uur’s tot vrijdag 8.00 uur;
- te bepalen dat indien de (voorlopige) zorgregeling niet wordt nagekomen, de moeder een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer met een maximum van € 15.000,-.

Beoordeling

In de voorlopige voorzieningenprocedure
Op grond van het eerste lid van artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van het geding. Op grond van het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering. In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv Pro worden verzocht (Hoge Raad 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).
Nu de rechtbank in de bodemprocedure een beslissing neemt over hetzelfde onderwerp als in de voorlopige voorzieningenprocedure, zal de rechtbank het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen bij gebrek aan belang.

In de bodemprocedure

Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de gewone verblijfplaats van [minderjarige] in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar Nederlands recht te beslissen op het verzoek tot wijziging van de zorgregeling.
Gezag
Partijen zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag over [minderjarige]. Zoals op de zitting is besproken, staat het beëindigen van het gezag van één van de ouders niet ter vrije bepaling van partijen en dient dit inhoudelijk door de rechtbank te worden beoordeeld. Het feit dat partijen dit onderling hebben afgesproken en het ouderschapsplan in de beschikking is opgenomen, heeft dan ook niet het rechtsgevolg dat de moeder het eenhoofdig gezag over [minderjarige] heeft verkregen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder om het eenhoofdig gezag in het gezagsregister aan te tekenen dan ook afwijzen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Wettelijk kader
De rechtbank kan op grond van artikel 1:253a in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) op verzoek van (één van) de gezaghebbende ouder(s) een door ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of als bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Ontvankelijkheid
De ouders verzoeken beide een wijziging van de zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan. De moeder betwist enerzijds dat er sprake is van wijziging van omstandigheden naar aanleiding van het verzoek van de vader, maar verzoekt anderzijds zelf ook een wijziging van de zorgregeling. Uit de stukken en op de zitting is gebleken dat de regeling zoals in het ouderschapsplan is overeengekomen geen haalbare regeling is voor beide ouders. Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van wijziging van omstandigheden en dus zijn de ouders ontvankelijk in hun verzoek tot wijziging van de zorgregeling.
Inhoudelijke beoordeling
De vader verzoekt wijziging van de zorgregeling zoals overeengekomen in het ouderschapsplan. De vader stelt dat de moeder sinds de echtscheiding [minderjarige] van hem weghoudt. Het contact tussen de vader en [minderjarige] moet altijd plaatsvinden in de woonkamer van de moeder en duurt gemiddeld een uur. De vader wil dat het contact tussen hem en [minderjarige] structureler plaatsvindt. De moeder stelt dat uitbreiding van de zorgregeling niet in het belang van [minderjarige] is. De vader is volgens de moeder nooit zelfstandig verantwoordelijk geweest voor [minderjarige] en weet ook niet welke verzorging hij nodig heeft. Daarnaast stelt de moeder dat de man agressief gedrag vertoont en een jarenlange gewoonte van cannabisgebruik heeft. De moeder is daarom van oordeel dat contact door middel van omgangsbegeleiding gefaciliteerd moet worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting en uit de stukken is gebleken dat de moeder onbegeleide omgang niet veilig vindt door het drugsgebruik, het agressieve gedrag van de vader en het feit dat de vader niet weet hoe hij [minderjarige] moet verzorgen. Ter onderbouwing van het drugsgebruik van de vader heeft de moeder verwezen naar Whatsapp berichten, maar hiermee heeft zij niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat er sprake is van drugsgebruik door de vader tijdens de contactmomenten. De rechtbank zal daarom aan dit bezwaar van de moeder voorbij gaan. Ter onderbouwing van het agressieve gedrag van de vader verwijst de moeder naar filmopnames die zij heeft gemaakt tijdens een contactmoment tussen de vader en [minderjarige]. Uit die filmopnames blijkt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de vader eenzijdig agressief gedrag vertoont. Wel is te zien dat er sprake is van verbale ruzie tussen ouders waar zij beiden een aandeel in hebben. De rechtbank zal daarom ook aan dit bezwaar van de moeder voorbij gaan. Ten slotte zal de rechtbank ook voorbij gaan aan het bezwaar van de moeder dat de vader [minderjarige] niet kan verzorgen en bijvoorbeeld geen luier kan verschonen. Dit is de rechtbank op geen enkele manier gebleken en onvoldoende door de moeder onderbouwd. Op een van de filmopnames is te zien dat de vader de luier van [minderjarige] verschoont.
Op de zitting en met name uit de filmopnames is duidelijk gebleken dat de aanwezigheid van de beide ouders tijdens contactmomenten tot verbale conflicten leidt. Zij vervallen dan in discussies, onder andere over hun ex-partnerrelatie met stemverheffingen, waarbij de focus op [minderjarige] volledig afwezig is. Dit is niet in het belang van [minderjarige]. Dit betekent echter niet dat door professionals begeleide omgang de enige optie is. Zoals hiervoor overwogen, is niet gebleken van enige indicatie dat een zorgregeling waarbij [minderjarige] één op één tijd met zijn vader doorbrengt, buiten aanwezigheid van de moeder, niet in zijn belang zou zijn.
De rechtbank vindt het in het belang van [minderjarige] dat het contact tussen hem en de vader zo snel mogelijk wordt opgestart. Daarbij is wel van belang dat de zorgregeling rustig wordt opgebouwd, nu [minderjarige] sinds het uiteengaan van de ouders nog niet langere tijd met alleen zijn vader heeft doorgebracht. Om deze reden zal de rechtbank een voorlopige zorgregeling vastleggen, zoals in het dictum opgenomen, waarbij [minderjarige] bij de vader is buiten aanwezigheid van de moeder. Dit contact zal plaatsvinden op donderdagen, omdat dit de dagen zijn waarop de vader niet werkt. Het enkele feit dat de moeder zonder overleg met de vader met ingang van juni 2026 op de donderdag kinderopvang heeft geregeld kan daaraan niet in de weg staan. Nu de huisvestingssituatie van de vader nog onduidelijk is, zal de rechtbank geen overnachtingen vastleggen in de voorlopige zorgregeling. Dit neemt niet weg dat ouders in onderling overleg, al dan niet bij de Ouderschapsbemiddeling, kunnen toewerken naar een regeling inclusief overnachtingen.
Op de zitting is de mogelijkheid van deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling besproken met de ouders. Beide ouders hebben de bereidheid uitgesproken om deel te nemen aan dit traject. De rechtbank zal de ouders in de gelegenheid stellen deel te nemen aan dit traject, zoals blijkt uit het proces-verbaal van doorverwijzing dat aan deze beschikking is gehecht. Dit proces-verbaal is al per email verzonden naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan voornoemd traject en/of training en aanmelding bij de betreffende uitvoerende hulpverleningsinstantie. De rechtbank zal (een kennisgeving van) deze beschikking per post zenden aan Jeugdteams Leidse Regio.
De rechtbank zal niet vooruitlopen op de resultaten van het traject Ouderschapsbemiddeling en zal dan ook geen definitieve zorgregeling en verdeling van de vakantiedagen vastleggen.
Voorts wil de rechtbank opmerken dat [minderjarige] geruime tijd alleen met de moeder heeft doorgebracht en de vader hem alleen tijdens korte contactmomenten heeft gezien. Het is daarom belangrijk dat de moeder de vader op de hoogte stelt van het eet- en slaapritme van [minderjarige], en eventuele andere aandachtspunten. De vader zal het vaste ritme van [minderjarige] zo veel mogelijk moeten volgen. Daarnaast is op de zitting met de ouders besproken dat op hen de verantwoordelijkheid rust om tijdens de overdrachtsmomenten niet te vervallen in ruzies en verwijten.
Proceskosten
Omdat de rechtbank nog geen eindbeschikking zal wijzen, zal de rechtbank de beslissing omtrent de proceskosten ook aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2024 in [geboorteplaats], , bij de vader zal verblijven - al dan niet bij de nicht van de vader in [plaats 2], indien de vader daar verblijft –:
  • donderdag 2 april 2026 en donderdag 9 april 2026 van 11.00 uur tot 13.00 uur;
  • donderdag 16 april 2026, donderdag 23 april 2026 en donderdag 30 april 2026 van 10.00 uur tot 14.00 uur;
  • in de kalendermaand mei, te weten vanaf 7 mei 2026, iedere donderdag van 10.00 uur tot 16.00 uur;
  • in de kalendermaand juni, te weten vanaf 4 juni 2026, iedere donderdag van 10.00 uur tot 19.00 uur;
  • met ingang van 2 juli 2026, iedere donderdag van 08.00 uur tot 19.00 uur;
waarbij de vader [minderjarige] haalt en weer terugbrengt bij de moeder;
*
stelt vast dat partijen, te weten:
[de vader]
wonende op [adres 1] in [plaats 1],
en
[de moeder]
wonende op [adres 2] in [plaats 1],
bij (aangehecht) proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar Jeugdteams Leidse Regio voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
beveelt de griffier binnen twee dagen na heden een afschrift van (de kennisgeving van) deze beschikking te zenden naar: Jeugdteams Leidse Regio, Haarlemmerstraatweg 31 – 8519 –, 2343 LA Oegstgeest;
bepaalt dat de uitvoerende hulpverleningsinstanties de rechtbank vóór na te melden pro formadatum rapporteert omtrent het verloop van de Ouderschapsbemiddeling met kopie aan beide ouders en hun advocaten en daarvan, indien het traject niet positief is verlopen, gelijktijdig een afschrift aan de Raad voor de Kinderbescherming stuurt;
bepaalt dat de griffier na ontvangst van de rapportage van een niet positief verlopen traject een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming toestuurt;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming bij een niet positief verlopen traject te bezien of raadsonderzoek noodzakelijk is met inachtneming van hetgeen de rechtbank daarover in de overwegingen heeft opgenomen, de rechtbank daarover binnen twee weken te informeren
en, indien dat onderzoek noodzakelijk geacht wordt, dit onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskostenaan tot
1 oktober 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, (kinder)rechter, bijgestaan door P.F. Weenink als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 1 april 2026.