Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11545

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 mei 2026
Publicatiedatum
12 mei 2026
Zaaknummer
NL25.33233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 14 VisumcodeArt. 7:3 AwbVerordening (EG) Nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding met land van herkomst

Eiser, een Pakistaanse nationaliteit, vroeg een visum voor kort verblijf aan om de bruiloft van zijn zus bij te wonen. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag af wegens twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Pakistan. De rechtbank beoordeelde het beroep tegen deze afwijzing.

De rechtbank overwoog dat eiser onvoldoende bewijs leverde van een structurele economische binding met Pakistan, mede omdat contante inkomsten zonder facturen niet overtuigend werden onderbouwd en het bezit van landbouwgrond niet automatisch een sterke binding vormt. Ook de sociale binding werd onvoldoende geacht, omdat eiser ongehuwd is en geen zorgplicht voor familieleden aannemelijk maakte.

Verder oordeelde de rechtbank dat de hoorplicht niet was geschonden, omdat verweerder op grond van de Algemene wet bestuursrecht mocht afzien van het horen van eiser gezien het kennelijk ongegronde bezwaar. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van het visum in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de visumaanvraag kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding met Pakistan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.33233
V-nummer: [v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1992, van Pakistaanse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. J. Singh),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Inleiding

1.1.
Met het primaire besluit van 26 maart 2025 heeft verweerder de aanvraag van eiser om de afgifte van een visum voor kort verblijf afgewezen. Met het bestreden besluit van
1 juli 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.
1.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 15 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser, de zus van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiser verblijft in Pakistan. Hij heeft op 11 maart 2025 een aanvraag ingediend voor de afgifte van een visum voor kort verblijf om de bruiloft van zijn zus en [persoon] (referent) bij te wonen op 31 maart 2025.
3. In het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag van eiser afgewezen op de gronden dat (i) het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond en (ii) er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser het grondgebied van de lidstaten vóór het verstrijken van het visum te verlaten. In het bestreden besluit heeft verweerder enkel deze laatste afwijzingsgrond besproken, nu deze grond op zichzelf voldoende is om een visum te weigeren op grond van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. [1]

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
5. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegelicht dat het bestreden besluit niet zo moet worden begrepen dat de afwijzingsgrond met betrekking tot het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf niet meer wordt gehandhaafd. Omdat deze afwijzingsgrond onbesproken is gelaten in het bestreden besluit, heeft de gemachtigde van verweerder op de zitting aangegeven dat deze afwijzingsgrond komt te vervallen. De rechtbank zal deze afwijzingsgrond dan ook onbesproken laten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat hiermee sprake is van een motiveringsgebrek.
Toetsingskader
6. Een visumaanvraag voor kort verblijf wordt onder andere afgewezen als er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten tijdig te verlaten. [2] Bij het onderzoek of daar twijfel over bestaat, komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. [3] Verweerder kent bij zijn beoordeling een bijzonder gewicht toe aan de vaststelling of is gebleken van zodanige economische en/of sociale binding van de aanvrager met het land van herkomst dat een tijdige terugkeer daarmee voldoende gewaarborgd is.
7. Het is aan de aanvrager om de documenten over te leggen die verweerder nodig heeft om een aanvraag te kunnen beoordelen. Dit volgt uit artikel 14, eerste lid en artikel 32, eerste lid, van de Visumcode. Voor aanvragen van een visum voor kort verblijf hanteert verweerder een checklist. Op die checklist staat vermeld welke documenten een aanvrager moet overleggen.
Sociale en economische binding met Pakistan
8. Eiser voert met betrekking tot zijn sociale binding met Pakistan aan dat hij in Pakistan is geboren en getogen, zijn gehele familie daar woont en hij samen met zijn moeder, zussen en broer een groot stuk landbouwgrond bezit. Deze familiale en eigendomsrelaties vormen een sterke sociale binding met het land van herkomst en tonen aan dat eiser duidelijke redenen heeft om terug te keren. Ten aanzien van de economische binding stelt eiser dat hij als boer actief is in de teelt van verschillende landbouwproducten. Boeren in Pakistan ontvangen hun inkomsten grotendeels contant bij de verkoop van hun oogst. Het is in de agrarische sector in Pakistan niet gebruikelijk dat bij dergelijke verkopen formele kassabonnen of facturen worden verstrekt. Ook is het gebruikelijk dat boeren een deel van deze contante inkomsten periodiek op hun bankrekening storten. Dat de bankrekening vlak voor de visumaanvraag is geopend, betekent volgens eiser niet dat hij geen structureel inkomen heeft. Het is op het platteland in Pakistan gebruikelijk dat men grotendeels zonder bankrekening opereert. Eiser heeft de rekening juist geopend om voortaan meer gebruik te maken van bankdiensten en om een overzichtelijker financiële administratie te voeren. Naast de inkomsten uit landbouw beschikt eiser over een aanzienlijk economisch belang in de vorm van mede-eigendom van een groot stuk landbouwgrond. Dit bezit is duurzaam, vertegenwoordigt aanzienlijke waarde en brengt structurele verplichtingen met zich mee, waardoor het een sterke economische binding met Pakistan vormt.
8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Met betrekking tot de economische binding heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat onvoldoende is gebleken dat eiser een regelmatig en substantieel inkomen verdient en daarbij waarde mogen hechten aan de omstandigheid dat onduidelijk is gebleven wat de herkomst is van de stortingen op eisers bankrekening. Eiser stelt dat het ontbreken van bonnen het gevolg is van de gangbare handelspraktijk, waarbij sprake is van contante betalingen zonder facturen. De rechtbank acht deze stelling, die niet op enige wijze is onderbouwd, echter onvoldoende voor het oordeel dat het ontbreken van stukken (waarbij ook kan worden gedacht aan foto’s of getuigenverklaringen) niet kan worden tegengeworpen. Daarbij komt dat het bezit van land niet als dusdanige binding met het land van herkomst hoeft te worden aangemerkt, dat enkel op grond daarvan de tijdige terugkeer gewaarborgd is.
8.2.
Wat betreft de sociale binding met Pakistan heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat er geen zodanige binding is dat een tijdige terugkeer gewaarborgd is te achten, mede gelet op het ontbreken van de economische binding. Eiser is ongehuwd en heeft geen gezin. Enkel het achterlaten van familieleden biedt onvoldoende waarborg voor een tijdige terugkeer, aangezien niet gesteld of gebleken is dat eiser een specifieke zorgplicht heeft voor deze familieleden. De beroepsgrond slaagt niet.
8.3.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder heeft kunnen twijfelen aan het voornemen van eiser om Nederland te verlaten voordat het visum verloopt.
Hoorplicht
9. Eiser is van mening dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Het lag op de weg van verweerder om een hoorzitting te houden, zodat eventuele onduidelijkheden mondeling besproken en met aanvullende bewijsstukken onderbouwd hadden kunnen worden. Het was voor eiser onduidelijk welke gegevens volgens verweerder ontbraken, waardoor het hem onmogelijk werd gemaakt om in bezwaar gericht aanvullende stukken in te dienen.
9.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op zijn hoorplicht. [4] Verweerder mag op grond van artikel 7:3, onder b, van de Algemene wet bestuursrecht slechts van het horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat is het geval als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [5] De beslissing om die bepaling toe te passen, dient te worden genomen op grond van wat in het bezwaarschrift is aangevoerd, bezien in samenhang met de overwegingen in het primaire besluit.
9.2.
In het primaire besluit is opgenomen dat de sociale en economische binding van eiser met Pakistan onvoldoende zijn aangetoond. Eiser had toen dus bekend kunnen zijn met het feit dat de bij de visumaanvraag overgelegde stukken onvoldoende waren om zijn binding met Pakistan aan te tonen. In de bezwaarfase heeft eiser echter geen nieuwe stukken ten aanzien van zijn economische activiteiten en/of sociale binding overgelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van het horen van eiser.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) Nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
2.Artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode.
3.Dit volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2013 in de zaak Koushkaki tegen Duitsland, ECLI:EU:C:2013:862.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 t/m 5.3.
5.Zie de uitspraak van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 4.